Een stad die uit de dood herrees

Medellín was de gevaarlijkste plek op aarde, nu is het de veiligste stad van Colombia, zegt de wethouder van veiligheid. De bewoners zijn trots, maar niet gerust. „Medellín beleeft op dit moment kalmte, maar het geweld kan zo weer opvlammen.” 

Linksboven: Comuna 13, voorheen een van de gevaarlijkste wijken van Medellín; Linksonder: militaire post in Comuna 13; Boven:de roltrap die Comuna 13 verbindt met de benedenstad van MedellínFoto’s Lianne Milton/Panos/Hollandse Hoogte ©

Hij groeide op met het ritme van geweld. „Elk dag was het raak, vooral in het weekeinde.” Met ratelende tong doet Alex (23) de kogeleruptie van een mitrailleur na. „Trrrrrrr, trrrrrr.”

Eens was hij zelf dicht in de buurt van de dood, toen hij in een vreemde barrio door duistere types was ingesloten. Met zijn vriendjes per ongeluk een van de ‘onzichtbare grenzen’ overgestoken waarmee bendes de stad hadden verdeeld. „Jullie zijn sapos, verklikkers.”

En toen moest Operación Orión nog komen. Drieduizend militairen die in 2002 zijn wijk uitkamden, op jacht naar rebellen van FARC en guerrillabeweging ELN, het ‘Nationale Bevrijdingsleger’. Die hadden de macht overgenomen in Comuna 13, een grote volksbuurt met 130.000 inwoners in het noordwesten van Medellín, in Colombia, op de flanken van de Andes.

Alex is er nu toezichthouder. Het geweld heeft de buurt verlaten, zegt hij trots. Hij wijst ontspannen naar een zandafgraving op een nabijgelegen heuvel. „Als je iemand miste moest je daar gaan kijken.” La Escombrera, die geel-grijze streep in het groen van de heuvel, was een dumpplaats voor lijken. Een afvalberg voor de vuile oorlog tussen guerrillero’s, paramilitairen, narcobendes en het leger.

Medellín was decennialang de gevaarlijkste plek op aarde en de moordhoofdstad van de wereld, met soms wel zesduizend doden per jaar. De ‘stad van de eeuwige lente’ was de zetel van drugsbaron Pablo Escobar, de man die enorme rijkdom vergaarde met cocaïne. Escobar loofde premies uit voor het vermoorden van politieagenten en liet iedereen die hem in de weg zat, uit die weg ruimen: politici, rechters, zelfs een voetbalscheidsrechter die tegen zijn club had gefloten.

Maar zie nu eens: het centrum van Medellín bruist van leven en ambitie. Creatieve ondernemers, start-ups in de ICT, kolkend uitgaansleven. In clubs en discotheken als Dulce Jesús Mío laven jongeren zich aan salsa, techno en tequila. De stad heeft de nacht heroverd, terrasjes zitten tot heel laat vol. Escobar is alweer 21 jaar dood en begraven.

„We willen ons bevrijden van onze geschiedenis”, zegt Xandra Uribe, een spraakwaterval van begin veertig met een hip hoedje op. Zij heeft samen met een Amsterdamse zakenman het sneakermerk SYOU opgezet. „De problemen van de stad hebben ons veel dynamiek gegeven. Je voelt de energie in Medellín, in het hele land. Jullie KLM vliegt sinds kort rechtstreeks op Bogotá, dat is niet voor niets”, zegt ze op het terras bij Parque Lleras, het uitgaanscentrum van Medellín vol kroegen en restaurants. Ze verliet de stad in 1989 omdat er geen ruimte meer was voor het leven. „We leefden afgesloten, gingen alleen van huis naar school. Ergens anders kwam je niet, het was verschrikkelijk onveilig.” Nu doet ze in geprinte canvas schoenen, elk onderdeel komt uit Colombia. „Heel cool.”

Medellín, de tweede stad van Colombia, koestert zich in een zonnig landschap met heuvels, bossen en weilanden. Het is een metropool met twee gezichten: beneden industriestad met moderne kantoorflats en viezige autowerkplaatsen, maar buitenwijken in weelderig groen. Boven heerst het rood van baksteen en het grijs van golfplaat. Daar zijn eindeloze sloppenwijken tegen de hellingen aangeplakt.

De moordstad heeft zich getransformeerd tot voorbeeld voor heel Zuid-Amerika, ronkt het stadsbestuur. Met bibliotheken, roltrappen en kabelbanen zijn de bewoners van boven- en benedenstad dichter bij elkaar gebracht. Gefinancierd met Amerikaanse donaties en vooral geld van het gemeentelijke nutsbedrijf EPM, een van de best geleide bedrijven in Colombia. Minimaal 30 procent van de winst (ongeveer 400 miljoen euro, onder andere verdiend met waterkrachtcentrales) gaat naar sociale projecten. De stad is er veiliger door geworden.

Bij de ACI, het bureau dat Medellín in het buitenland promoot, doen ze niet zuinig over de prestaties. „We worden nu in de hele wereld gevolgd en gerespecteerd”, zegt de dame van ACI die het hele jaar bezoekers door de stad gidst. „We krijgen wel achthonderd visites per jaar. Buitenlandse journalisten, delegaties uit Zuid-Amerika en Afrika.” Medellín is al in 2013, door non-profitorganisatie Urban Land Use, uitgeroepen tot de meest innovatieve stad ter wereld. Het was een internetpeiling, maar toch.

Vorig jaar nog discussieerden duizenden bezoekers in het congres- en expositiecentrum Plaza Mayor op het World Urban Forum met in hun midden onder anderen Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, over het thema: Steden voor het leven. Een congres over duurzaamheid en ongelijkheid, over vooruitziende steden als ‘bakens van hoop’. Zoals Medellín.

Ontheemden

Er wordt inderdaad niet meer op grote schaal gemoord . De laatste jaren was zelfs sprake van een daling met wel 80 procent. De 2,4 miljoen inwoners kunnen weer adem halen. Maar modelstad? De delegaties komen nauwelijks in de heuvels die nog altijd veel armen huisvesten. Er wonen honderdduizenden mensen, in huisjes van baksteen en druiperige specie. Hoe hoger, hoe groter de ellende. Daar zijn de invasiewijken met ontheemden, die elders verdreven zijn door het geweld dat Colombia al decennialang teistert. Het land heeft er enkele miljoenen van en kan op dit punt wedijveren met een land in ontbinding als Syrië.

Ramón Vargas (42) is één van die ontheemden. Hij woont in een huis van sloophout en plastic in barrio El Pinal. Daar waar de stad ophoudt en auto’s wiegend in stofwolken naar boven klauteren. Het nieuwe elan van Medellín heeft zijn buurt nog lang niet bereikt. „Man, ik ben doodsbang.” Hij wijst naar zijn krot dat van de helling dreigt te schuiven. „Ik heb wel tien zakken cement nodig om een ondergrondje te maken.” Evenals duizenden anderen droomt hij van één ding: een huisje van ‘materiaal’, waarmee ze in El Pinal steen bedoelen. Geld heeft hij er niet voor.

Alex in Comuna 13 voelt zich veiliger. Zeker op de plek waar hij staat en waar ook de delegaties uit het buitenland naar toe worden geleid: bovenaan de roltrap die zijn wijk drie jaar geleden uit het isolement haalde. Bijna vierhonderd meter lang is de roltrap, opgedeeld in zes stukken; de overkapping van glas en oranje staal trekt vrolijke strepen door het heuvellandlandschap van golfplaten. De inwoners van Comuna 13 kunnen nu binnen vijf minuten in de benedenstad komen, terwijl ze daar vroeger bijna een uur over deden.

„De stad is veranderd, je voelt het, je ziet het. Er is minder geweld”, vertelt Alex. Hij heeft een speciaal rood jack aan met ‘Medellín todos por La Vida’ erop. ‘Medellín allemaal voor het leven’. Een slogan die je in de hele stad tegenkomt, op enorme billboards, op visitekaartjes.

Van geweld merken ze niet meer zoveel, zeggen de bewoners. De combos, de bendes, zijn niet verdwenen maar houden zich koest. Soms wordt er nog geschoten, als de bendes over de onzichtbare grenzen in de wijk gaan en het territorium van hun rivalen binnendringen.

De roltrap is een van de iconen van het ‘Nieuwe Medellín’. Een creatie van verlichte stedenkundigen die met hun projecten de donkerste delen van de stad uit hun isolement hebben gehaald. Comuna 13 heeft zijn trap, Santa Domingo – ook zo’n beruchte sloppenwijk – wordt zelfs met een kabelbaan met de wereld verbonden. En midden in deze wijk staat een reusachtige avant-gardistische bibliotheek, als drie reusachtige basaltblokken, waar de buurt boeken kan lenen, cursussen kan volgen en met computers kan werken.

Juan Carlos Montoya (12) kent zijn lesje uit zijn hoofd. „Vroeger was dit een van de gevaarlijkste wijken van de stad”, dreunt het jochie ongevraagd op in een parkje bij het Parque Biblioteca España, vlakbij kabelstation Santo Domingo Savio. „Toen is er de kabelbaan gekomen en heeft de Spaanse koning de bibliotheek geopend.” Juan beëindigt zijn korte college abrupt en houdt zijn hand op: „Peso’s?”

Lees ook de recensie van het nieuwe Narcos-seizoen: In seizoen 2 wordt Escobar een wildeman

Netheid en burgerzin

Vooral de metro die drie kabelbanen in de stad verbindt, staat symbool voor de filosofie van het stadsbestuur. De metro zorgt voor verbinding tussen de heuvels en de benedenstad en heeft zelfs zijn eigen normen gecreëerd: ‘Cultura Metro’ staat voor netheid, discipline en burgerzin. Kaartje kopen? Heel normaal. Opstaan voor ouderen? Ook normaal. Propje papier op het perron weggooien? Not done. „Was de hele stad maar zo als de metro”, verzucht een oudere passagier.

Ook het leed heeft een eigen, nieuw onderkomen gekregen, het Casa Museo de la Memoria, herdenkingsplek voor de slachtoffers van politiek en crimineel geweld. Uit luisterkastjes komen getuigenissen over moord en verdwijning tot in het vorige decennium. De gids, net in dienst, kan haar ogen nauwelijks droog houden. „Er waren laatst commandanten van het leger op bezoek. Die wilden niet luisteren, ze wilden niet toegeven dat ook zij dat op hun geweten hebben.” Alleen al in het vijf decennia oude conflict met de FARC zijn meer dan tweehonderdduizend Colombianen omgekomen.

Deze week zette justitie in Medellín opnieuw de spade in het verleden. Er wordt onderzoek gedaan naar een massagraf waarin misschien wel honderd vermisten liggen.

Hij beloofde de stad te ‘bombarderen’ met ideeën toen hij in 2004 burgemeester van Medellín werd. Sergio Fajardo, hoogleraar wiskunde aan de universiteiten van Bogotá en Medellín, columnist en visionair. Maakte deel uit van een burgerbeweging van stedebouwkundigen, architecten en intellectuelen die de stad uit de spiraal van ongelijkheid en geweld wilden halen.

Hij is inmiddels gouverneur van Antioquia, het departement waarvan Medellín de hoofdstad is, en een van de machtigste bestuurders van Colombia. Een charmante man met donkere manen, in spijkerbroek en blauw overhemd. „De publieke ruimte was gevuld met de pijn en angst vanwege geweld en vernietiging”, zegt hij in zijn imposante werkkamer aan de Plaza Mayor van Medellín. „Wanneer de bevolking bang is, bestaat er geen ruimte voor dromen. Iedereen is dan maar met een ding bezig: overleven. Dát hebben we veranderd. We hebben nieuwe publieke ruimten geschapen met onderwijs, culturele centra, botanische tuinen, parken, roltrappen. De nieuwe ruimten hebben een atmosfeer van vertrouwen en waardigheid gecreëerd.”

Fajardo (59) had het tij mee. Hij was koud burgemeester of de regering van de toenmalige president Álvaro Uribe sloot een demobilisatieakkoord met de paramilitairen van ‘Don Berna’, de koning van de onderwereld na de dood van Pablo Escobar, in december 1993. In de vier jaar van Fajardo’s bewind liep het dodencijfer drastisch terug. Dat veranderde toen Don Berna in 2008 werd uitgeleverd aan de Verenigde Staten: bendes raakten slaags, in drie jaar tijd telde Medellín in totaal zesduizend geweldsdoden.

Fajardo zet zijn guerrilla voor leefbaarheid intussen voort in Antioquia, een gebied dat anderhalf keer zo groot is als Nederland. Hij wijst op een imposante kaart in zijn werkkamer. Deze ochtend heeft hij per helikopter een bezoek gebracht aan Ituango. Een afgelegen plaatsje in zijn departement, met jungle, bergen, cokevelden en FARC. „Daar hebben we een filmfestival opgezet. Dus geen festival op Broadway of in Cannes maar in Ituango! Er zijn veel jongeren uit de omgeving, die zich door de films laten inspireren. Die uit het isolement van hun omgeving kruipen.”

Medellín is er nog lang niet, zegt Fajardo. „De metro is prachtig, maar die is niet de oplossing voor de problemen van Medellín. Ons probleem is niet mobiliteit. Het gaat erom dat wij fatsoenlijk kunnen leven en dat de mensen worden gerespecteerd. Dit is een enorm ongelijke samenleving. Hoop is de essentie van onze politiek, vertrouwen is ons kapitaal. Daarom bent u ook hier. Je moet in sommige delen van de stad uitkijken, maar dat moet je ook in Amsterdam.”

Kolonel (b.d.) Sergio Alfonso Vargas Colmenares, wethouder van veiligheid, gaat een stap verder: „Medellín is de veiligste stad van Colombia.” Hij is trots op zijn statistieken. „Het belangrijkste criterium voor veiligheid is het aantal doden”, doceert hij. In 1991 waren dat er 361 per 100.000 inwoners en in 2014 nog maar 29. „Er wordt nergens zoveel in veiligheid geïnvesteerd als hier”, zegt Vargas, terwijl hij de nieuwe meldkamer van de politie laat zien. Honderden camera’s houden de stad in de gaten, agenten schakelen met hun monitor van de ene camera naar de andere. Ook de politie ontkwam niet aan de corruptie, geeft hij toe. „We hebben onszelf kunnen reinigen.”

Politiecorruptie

Hoe schoon het politiekorps werkelijk is? „De politie is onze grootste bondgenoot”, pochte recentelijk een van de leiders van La Oficina de Envigado, de bende waarin Escobars kartel voortleeft. Volgens deze capo, alias Pantera, zouden politiemensen wekelijks tussen de 70 en 100 euro bijverdienen met klusjes voor de Oficina, een flink bedrag voor een gewone agent.

Het kartel van Pablo Escobar is versplinterd, dat is zeker. De stad heeft nu ongeveer zeventig ‘gewone’ bendes en tien grote (‘odines’), vertelt kolonel Vargas. Hij somt ze op: ‘Los Chatas’, ‘Terraza’, ‘Los Triana’, ‘San Paulo’, de Oficina, vaak genoemd naar leiders of buurten. Ze hebben samen al gauw vijfduizend criminelen onder hun commando, zegt Vargas. Alleen al de Oficina telt tweeduizend gewapende militiemannen, claimde ‘Pantera’ in een tv-interview, onherkenbaar door een bivakmuts.

De grootste bende van nu vormen de Urabeños, de clan van ex-paramilitair Dairo Antonio Úsuga David. Vargas: „Ze zitten aan de Pacifische kust, maar ook hier. Wie in de drugshandel wil, moet met hen samenwerken. Maar de export naar de VS loopt tegenwoordig via Mexico.”

Het grootste probleem in Medellín, zegt de wethouder, is nu roof. De cijfers zijn gestegen maar dat komt vooral omdat de inwoners nu eindelijk aangifte doen.

De inwoners zelf noemen een ander probleem. Eén met epidemische omvang : afpersing. Niemand ontkomt er aan. Busbedrijven, aannemers, winkeliertjes, ja zelfs een bedelaar loopt het risico dat hij zijn dagopbrengst moet inleveren. De bendes verdienen er vele miljoenen mee.

Mary Brand (52 jaar), kort grijs kapsel en bloemetjesblouse, kan er over meepraten. Ze heeft een winkeltje in sloppenwijk Santa Domingo met daarboven een cafeetje waar je bier kunt bestellen in glazen cilinders van wel een meter lang met daaronder een kraantje om zelf te tappen. „Iedereen wordt afgeperst. Ik noem het colaboración, samenwerking. We betalen allemaal.” Hoeveel: „Ach, ze halen elk jaar 500.000 peso’s [157 euro] bij me op.”

Kolonel Vargas heeft er zijn eigen opvattingen over: „Afpersing is een kwestie van definitie. Alleen bij bedreiging treden we op. Het probleem is dat mensen het normaal zijn gaan vinden. Het bewijs is moeilijk, we moedigen mensen aan niet te betalen.”

Geen paradijs

De mensen van ‘boven’ zijn sceptisch over alle succesverhalen. „Ik kan niet ontkennen dat Medellín een transformatie heeft doorgemaakt. Maar het is geen paradijs in oorlogsgebied”, zegt Jeison Alexander Castaño (30). ‘Jeihhco’, ronde toet, vlassig baardje en zwarte baseballpet, is het gezicht van de hiphop-scene in Medellín. Hij runt een centrum in Comuna 13, waar 250 kinderen zich bekwamen in graffiti, rap, breakdance en fotografie. ‘Casa de Hip Hop Kolacho’, genoemd naar een vermoorde hiphopper. „We zijn absoluut niet meer de stad van Pablo Escobar, maar we zijn nog lang niet aan het einde van de tunnel. Medellín beleeft op dit moment kalmte. Al vanaf 2013 is het rustig. Dat is typisch voor de cyclus van de stad. Het geweld kan zo weer opvlammen.”

Hij heeft kritiek op de marketingcampagne waarmee de stad de wereld intrekt. „De bestuurders zijn vooral bezig met het veranderen van het imago, niet van de realiteit. Er zijn kinderen die niet studeren, omdat ze geen schooluniform kunnen betalen. Dat zou niet mogen gebeuren in een stad als Medellín. Het leven daarboven is beroerd, vooral als je in een huis opgroeit waar liefde ontbreekt. Nergens in Colombia is zoveel ongelijkheid als hier.”

Ondanks de gedaalde moordcijfers, internationale waardering en economische groei, is Medellín nog lang niet van het stigma van Pablo Escobar af. Zijn moeder had hem met de mores van de stad opgevoed. „Ga mijn jongen en verdien geld op een eerlijke manier. En als dat niet lukt, verdien geld!”

Roberto Escobar vindt het stigma helemaal niet erg. De broer van Pablo Escobar en vroegere accountant van het Medellínkartel leeft van het verleden. Roberto (68) woont in het huis waar Pablo zich vlak voor zijn dood schuilhield voor politie, leger en Los Pepes, zijn wraakzuchtige slachtoffers. Hij heeft van de fraaie hacienda op een van de hellingen in Medellín een museum over zijn broer gemaakt. Pablo’s blauwe Wartburg staat er waarmee hij cocapasta uit Peru haalde, de jetski uit de rijke dagen van zijn loopbaan hangt aan de muur.

Een ontmoeting met Roberto is het hoogtepunt van een toeristische Pablo Escobar-tour die ook langs diens graf voert. De trip is onder de bevolking omstreden, want Medellín wil na twintig jaar wel eens af van Pablo Escobar.

Roberto, die lang in de gevangenis heeft gezeten, wil niets kwijt over zijn jaren in het kartel. Wie wil, kan zijn handtekening krijgen op een van de dvd’s die de tourorganisatie verkoopt, zoals ‘Pablo Escobar, the king of coke’. En iedereen mag met hem op de foto, met die kleine man met baseballpet en glazen oog, overgehouden aan een bombrief van het concurrerende Cali-kartel.

De bezoekers, studenten uit Groot-Brittannië en Australië, willen graag. Roberto verdient er allemaal niets mee, zegt hij, hij geeft zijn geld uit aan de strijd tegen aids.

„Ik wens u een goede gezondheid”, is het enige dat de vroegere rekenmeester van het beruchte kartel kwijt wil. „Dat is het belangrijkste in het leven.”

‘Medellín todos por La Vida’.

Medellín, allemaal voor het leven. Ook Roberto doet nu mee.