Cool: kerkers en knekels kijken

Veel mensen bezoeken de duistere plekken van de geschiedenis: Auschwitz, Verdun, Tsjernobyl. Dat wordt ‘duister toerisme’ genoemd. Ten onrechte. 

Foto’s Gerd Ludwig/National Geographic

Het is vakantie, en stromen toeristen bewegen zich naar de Spaanse costa’s, Thailand, Indonesië en New York. Ze huren een cottage in Devon, boeken een midweek in Berlijn of strijken neer op een camping in de Ardêche. Maar onder hen zijn ook velen die een trip langs de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog maken, zich laten rondleiden in het huis waar Elvis Presley zijn laatste adem uitblies en Ground Zero bekijken. Die de tentoonstelling van geprepareerde lijken bezoeken die Body Worlds heet, of een midddag rondlopen in het voormalige concentratiekamp Auschwitz.

Veel mensen brengen een bezoek aan plekken waar de geschiedenis dood en verderf heeft gezaaid of waar menselijk lijden nadrukkelijk aanwezig is.

Dat verschijnsel wordt wel thanatoerisme genoemd, naar het Griekse woord voor dood: thanatos. Maar gebruikelijker is dark tourism, duister toerisme. Opmerkelijk genoeg is dit begrip niet uit de pen van een journalist gevloeid, maar is het uit de wetenschap afkomstig. Het werd bekend door een boek uit 2000 van de Britse onderzoekers John Lennon en Malcolm Foley: Dark Tourism. The Attraction of Death and Disaster. Een aantal serieuze boeken en vele wetenschappelijke artikelen volgden. Er is zelfs een universitair instituut dat zich exclusief op het duistere toerisme richt en adviezen verstrekt aan musea en andere instellingen: het Institute for Dark Tourism Research (iDTR) van de University of Central Lancashire (VK). Zeer recent verscheen ook een Nederlands boek over dit onderwerp: Dark Tourism, de dood achterna, door Karel Werdler (NRIT Media, 2015). Werdler, docent aan de Hogeschool Inholland, beschrijft de vele bunkers, knekelhuizen, catacomben, kerkers en slagvelden waar de belangstellende toerist tegenwoordig terecht kan.

Dat alles wil niet zeggen dat dark tourism nu een solide academische discipline is, met een duidelijk paradigma. De laatste jaren wordt er in die literatuur alweer een scheiding der geesten zichtbaar. Aan de ene kant staan onderzoekers die menen dat de bezoekers van macabere plaatsen worden gedreven door de ‘attractie van de dood’. Op de een of andere manier verbinden ze die plekken met hun eigen sterflijkheid. Aan de andere kant staat een groep die vindt dat de motieven van de bezoekers van macabere plaatsen ook van heel andere aard kunnen zijn. Belangstelling voor de geschiedenis bijvoorbeeld.

Robbeneiland

Maar wat hun motieven ook zijn, in ieder geval zijn die toeristen met zeer velen. Graceland trekt jaarlijks 600.000 bezoekers, Auschwitz-Birkenau 1,5 miljoen. De voormalige gevangenis op Robbeneiland in Zuid-Afrika trekt per jaar 220.000 bezoekers en is een van de grote toeristische trekpleisters van Zuid-Afrika. Het kampterrein bij Westerbork trekt jaarlijks 385.000 bezoekers, de zesde verdieping van het gebouw in Dallas van waaruit president Kennedy werd neergeschoten 325.000. Aan de geprepareerde lijken van Body Worlds vergaapten zich op verschillende plaatsen al 40 miljoen belangstellenden. Het Anne Frank Huis: 1,3 miljoen bezoekers per jaar. Zelfs Tsjernobyl is al een toeristische bestemming: jaarlijks 10.000 bezoekers. Hoeveel mensen de slagvelden van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bezoeken is moeilijk na te gaan, maar het zijn er zeer velen en er zijn tal van georganiseerde trips langs de Europese killing fields. En op al die plaatsen ontfermen busondernemingen, gidsen en de horeca zich maar al te graag over de moderne pelgrims.

Is dat werkelijk iets nieuws? Lennon en Foley wijzen erop dat de dood ook vroeger al een eigenaardige aantrekkingskracht had. Ze noemen de populariteit van gladiatorengevechten, wijzen op de menigten die op openbare executies afkwamen, en zien ook de pelgrimage naar heilige graven als vroege voorbeelden. Ook slagvelden stonden al eerder in de belangstelling; al in 1816 was er een georganiseerde trip naar het slagveld van Waterloo. Maar de onderzoekers stellen ook vast dat het duistere toerisme de laatste decennia in een stroomversnelling is geraakt en ook een nieuwe betekenis heeft gekregen. Lennon en Foley zien de opkomst van de moderne communicatiemiddelen als een belangrijke factor. De aanslag op president Kennedy was dezelfde dag overal ter wereld te zien. Films en foto’s hebben die gebeurtenis voortdurend in de belangstelling gehouden. Dat maakte zijn dood voor velen iets wat dichtbij henzelf plaatsvond – tot een bijna persoonlijke ervaring – en de plek waar het gebeurde tot een plaats die velen met eigen ogen wilden zien. In de decennia daarna is de betekenis van film, televisie en internet voor de collectieve bekendheid met rampplekken alleen maar toegenomen.

Lennon en Foley stellen dat in veel van die plekken de ,,twijfel en bezorgdheid” van de moderne tijd resoneren. Die gevoelens hangen volgens hen samen met de ambivalentie van de moderniteit: terwijl die de overwinning van de rede en de vooruitgang in het vooruitzicht stelde, is gebleken dat planning en technologische vooruitgang ook kunnen falen en voor verkeerde doelen kunnen worden gebruikt. De superieure waterdichte schotten van de Titanic hebben zijn ondergang niet kunnen verhinderen; de vernietiging van de Joden werd in nazi-Duitsland met moderne middelen en bureaucratische methoden ter hand genomen. Dat verleent de plekken waar dat gebeurde hun belang en hun aantrekkingskracht. Lennon en Foley zijn daarmee vertegenwoordigers van de these die in de ondertitel van hun boek is geformuleerd: het is de dood die de toeristen trekt.

Ook de Britse onderzoekers Richard Sharpley en Philip R. Stone, beiden verbonden aan het iDTR, zien in duister toerisme vooral belangstelling voor de dood. In de door hen samengestelde bundel The Darker Side of Travel (2009) wijzen ze op de ‘neutraliserende’ werking van plekken van dood en rampspoed. In het moderne dagelijks leven is de dood min of meer achter de coulissen beland, zeggen zij in navolging van Norbert Elias. De samenleving is sterk geseculariseerd en dat mensen in het aangezicht van de dood steeds meer hun eigen oplossingen moeten vinden, is daar een onderdeel van. Dat maakt mensen kwetsbaar, zeggen Sharpley en Stone. Duister toerisme zou je volgens hen kunnen zien als een sociaal geaccepteerde vorm om met de dood om te gaan, als een middel om in een sfeer van normaliteit de nieuwsgierigheid naar de dood te bevredigen, en zo de angst voor de eigen sterfelijkheid enigszins te neutraliseren.

Geprepareerde resten

Ook het bezoek aan Body Worlds, de expositie van geprepareerde menselijke resten op verschillende plaatsen (waaronder Amsterdam), wordt door sommigen door fascinatie met de dood verklaard. De Duitse psycholoog Ernst-Dieter Lantermann deed publieksonderzoek en stelde vast dat de meeste bezoekers het een verrijkende ervaring vonden, ze waren door de tentoonstelling meer gaan nadenken over ‘leven en dood’ (catalogus Body Worlds, 2002). Bijna zeventig procent van de ondervraagden namen zich voor meer aandacht aan hun gezondheid te besteden, en bij een kwart was de bereidheid om na de dood organen te doneren toegenomen.

In een recent artikel in het tijdschrift Tourism Management (2015) verdiepen filosoof Jeffrey Podoshen en vier collega’s zich ook in de vraag wat de dood zo attractief maakt. Ze deden onderzoek naar deelnemers aan ‘dystopisch duister toerisme’. Zoals de Helter Skelter Tour, een excursie per bus rond de plaatsen in Los Angeles waar Charles Manson en zijn volgelingen actrice Sharon Tate en zes anderen vermoordden. Of het Inferno-festival in Oslo, een inktzwart evenement waar bands als de Zweedse Watain een mengsel van death metal en black metal spelen, en waarin dood, geweld, marteling en brandstichting belangrijke thema’s zijn. Podoshen en zijn collega’s zien die ervaringen als ‘onderdompelingen in een dystopische realiteit’, die de ‘dood tot leven brengen’. Zoeken naar dergelijke ervaringen vloeit voort uit de donkere tijden waarin we leven, zeggen de onderzoekers. Ze zien wel een lichtpuntje: het dystopische duistere toerisme kan beoefenaars voorbereiden op toekomstige schokken, op een tijd die mogelijk nóg somberder is. In die zin, zeggen ze, kan dit dystopische duister toerisme zelfs een hulp zijn in zingevingsprocessen.

Maar in de recente literatuur over duister toerisme wordt een kritische afstand ten opzichte van dit ‘thanatologische’ perspectief zichtbaar. Ben je een dark tourist als je Graceland, Verdun of Westerbork bezoekt? Word je dan geleid door de ‘attraction of death and disaster’, zoals Lennon en Foley vinden? Ben je op zoek naar ‘neutralisering’ van je eigen angst voor de dood, zoals Sharpley en Stone stellen?

Filosoof Rami Khalil Isaac en econoom Erdinç Çakmak deden onderzoek naar de motieven van bezoekers aan het voormalige kamp Westerbork en stelden vast dat belangstelling voor de dood geen reden was voor het bezoek (Current Issues in Tourism, 2013). De meeste bezoekers waren in de buurt op vakantie en werden gedreven door nieuwsgierigheid, door de wens de slachtoffers te herdenken, of omdat een bezoek aan Westerbork nu eenmaal ‘iets is wat je moet doen’. Karel Werdler en Nadiah Geuskens kwamen in een onderzoek naar de motieven van de bezoekers van kamp Amersfoort tot vrijwel dezelfde conclusies (Vrijetijdsstudies, 2013).

Onderzoek op een van de meest duistere plekken van de recente geschiedenis, Auschwitz, leverde ook al zo’n resultaat op. Toerisme-onderzoeker Avital Biran ondervroeg met twee vakgenoten een groot aantal bezoekers aan het voormalige concentratiekamp (Annals of Tourism Research, 2011). Zij vonden dat de motieven van de bezoekers sterk doen denken aan de redenen waarom andere ‘erfgoedplaatsen’ worden bezocht: behoefte aan begrip en informatie, de behoefte om de ‘echte plek met eigen ogen’ te zien.

Voor Biran en haar collega’s waren deze resultaten aanleiding om vraagtekens te zetten bij het begrip ‘duister toerisme’. Is het wel zinvol, zeggen ze, om van dark tourism te spreken als de motieven van de bezoekers niet speciaal op de sinistere kanten van de plaats zijn gericht? Is het wel zo’n goed idee om in de definitie van duister toerisme alleen maar naar de kenmerken van de plaats te kijken? Isaac en Çakmak zijn in hun artikel over Westerbork stelliger: bezoek aan plaatsen waar de dood wordt gepresenteerd ,,is niet noodzakelijkerwijs duister toerisme”.

Teksten in gastenboek

Ook de bezoekers van Body Worlds zijn geen ramptoeristen, vond de Britse socioloog Tony Walter (Sociology of Health & Illness, 2004). Hij analyseerde de teksten die bezoekers van Body Worlds in het gastenboek en op internet hadden achtergelaten. Die kleurige, in allerlei standen en opstellingen geëxposeerde lichamen leiden tot een nieuwe manier van naar het lichaam kijken, stelde hij vast. Ze nodigen niet uit tot rouw – zoals gebalsemde lichamen. Ook niet tot walging of onthechting – zoals bij een autopsie. De meeste bezoekers worden bevangen door een gevoel van fascinatie en ontzag. Ze zien geen lijken, maar iets nieuws: anatomische modellen met een grote mate van authenticiteit.

Walter, in het dagelijks leven directeur van het Centre for Death and Society van de universiteit van Bath, zet in een bijdrage aan de bundel van Sharpley en Stone nog een ander accent. De plekken van het duistere toerisme confronteren ons misschien met de dood, maar zelden met onze eigen dood. „Ik ken geen toeristische trips naar de geriatrische afdelingen van ziekenhuizen of de verpleeghuizen waar ik wellicht de dood zal vinden.” Het lijden waar het duistere toerisme heen leidt heeft geen betrekking op kanker of dementie, maar op slavernij en racisme, zegt Walter. Niet het soort lijden dat de leden van gegoede blanke middenklasse bedreigt, maar zij vormen wel de meerderheid van de bezoekers.

Maar is duister toerisme dan wel een vruchtbaar begrip? Als de motieven van de deelnemers uiteenlopen, blijft alleen de verwantschap in de bestemmingen over: plaatsen waar de dood op de een of andere manier een rol speelt. De vraag is of dat genoeg is voor een wetenschappelijk vakgebied – al is het dan nog jong. In The Darker Side of Travel erkent Richard Sharpley dat de wetenschappelijke literatuur over duister toerisme ‘eclectisch is, en theoretisch fragiel’.

Philip Stone, directeur van het Institute for Dark Tourism Research tilt niet zo zwaar aan die problemen. „Het is waar dat de term ‘dark tourism’ niet altijd behulpzaam is”, mailt hij me als ik hem de vraag stel of dat nu wel zo’n goede term is. „Maar de toeristische voorstelling van de dood is een alomtegenwoordige trek van de huidige bezoekerseconomie aan het worden. En of je het nu duister toerisme noemt, thanatoerisme, ongemakkelijk erfgoed of iets anders, we moeten dat veld onderzoeken. Ik zou erbij onderzoekers op willen aandringen niet te veel over die typologische kwesties te tobben, of over de vraag wat er zo duister is aan duister toerisme. Ze kunnen zich beter verdiepen in de vraag hoe duister toerisme – door het bezoek aan de dode medemens – een licht kan werpen op het leven.”