Urgenda is gevaar voor rechtsstaat

In de klimaatzaak maakte de rechtbank een politieke keuze. Maar als alles politiek wordt, is er geen recht meer, betoogt Lucas Bergkamp.

De uitspraak van de rechtbank Den Haag dat de staat meer moet doen om uitstoot van broeikasgassen te verminderen, ontving de milieubeweging met gejuich. Op de uitspraak kwam uiteraard ook kritiek. Zo zou de rechter aan de wetenschap normatieve uitspraken hebben toegedicht, zoals de stelling dat Nederland wetenschappelijk gezien de uitstoot verder moet beperken om gevaar te voorkomen.

Omdat de vrees heerst dat klimaatverandering catastrofale gevolgen heeft, bestaat de neiging om het vonnis als noodzakelijk kwaad te zien. De politiek kijkt alleen naar economische belangen op de korte termijn en onze beschaving dreigt daarvan het slachtoffer te worden. Dan heiligt het doel de middelen en mag de rechter gerust als laatste redmiddel fungeren – indien daarmee een milieuramp voorkomen wordt. Of kleven er aan deze ontwikkeling ook gevaren?

De rechtbank moest zich over deze vraag buigen, omdat de staat beargumenteerde dat de rechter onbevoegd is. De trias politica heeft immers gevolgen voor de bevoegdheid. Dus het lag voor de hand dat die vraag voorop zou staan in het vonnis. Dat was echter niet het geval: de rechtbank bespreekt de trias politica pas nadat hij heeft vastgesteld dat de staat de uitstoot verder moet beperken. Bij de behandeling van de trias politica heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de staat onrechtmatig handelde. Dat een vonnis de politieke besluitvorming kan doorkruisen of dat er voor een rechterlijk bevel geen politiek draagvlak bestaat, is voor de rechtbank geen reden om van zijn bevel af te zien. Hierbij moet men zich realiseren dat de rechter het handelen van de overheid als onrechtmatig heeft bestempeld op basis van de algemene norm van ‘maatschappelijke zorgvuldigheid’ in de zin van onrechtmatige ‘gevaarzetting’. Maar bij de toetsing bleven beschouwingen over machtenscheiding ten onrechte achterwege.

Omdat de rechter het soevereine handelen van de overheid aan ‘gevaarzetting’ toetst, is er een nieuw terrein geschapen voor allerhande belangengroepen om rechtszaken tegen de staat te beginnen. Dat er over klimaatbeleid internationale afspraken zijn gemaakt, houdt uiteraard niet in dat andere activiteiten waarover geen internationaal akkoord bestaat niet ook gevaar opleveren. De overheid kan gevaar scheppen door iets toe te staan (gaswinning) alsook door iets na te laten (klimaat). Aan een eindeloze reeks activiteiten zijn gevaren verbonden, van straling door telefonie tot afvalverbranding. In al deze zaken staat de weg naar de rechter nu open om de overheid tot ‘wetenschappelijk noodzakelijk’ beleid te dwingen.

Gevolg is dat onderwerpen waarover de politiek geen overeenstemming bereikt met regelmaat bij de rechterlijke macht terechtkomen. De rechter moet dan oordelen of het beleid zodanige gevaren oplevert dat het onrechtmatig is. Aan dit oordeel ontbreekt iedere legitimiteit. Ander probleem is dat het rechterlijk proces helemaal niet is ingericht op het beslechten van zulke politieke geschillen, waarbij complexe wetenschappelijke bevindingen en een reeks uiteenlopende belangen een rol spelen. De rechter is er om geschillen tussen partijen te beslechten, niet om politieke keuzen te maken.

In de eerste Nederlandse klimaatzaak heeft de rechtbank zich voor het karretje van de milieubeweging laten spannen. Voor die beweging is de rechter nu een politiek middel. Maar wanneer alles politiek is geworden, is er geen recht meer. De uitspraak in de Urgenda-zaak is daarom een gevaar voor de rechtsstaat.