Na 9/11 was het gedaan met Omar, de eenogige leider van de Talibaan

Mullah Omar

Geestelijk vader van Talibaan

Ook Talibaan meldt dood van mullah, die ooit begon met het redden van verkrachte meisjes.

Militieleden in de tuin en bij het paleis van Mullah Omar in Kandahar in december 2011. De Talibaan waren kort daarvoor met Amerikaanse hulp verdreven. Foto’s Patrick Aventurier/Getty

In Kandahar, in het Pathaanse zuiden van Afghanistan, ligt Ahmad Shah Durrani begraven, in de achttiende eeuw grondlegger van de Durrani-dynastie, die tot 1973 over Afghanistan zou regeren. Naast het graf van de ‘vader van de natie’ staat een moskee waar de Mantel van de Profeet Mohammed wordt bewaard. Het publiek krijgt die mantel slechts bij zeer uitzonderlijke gelegenheden te zien. Zoals in 1935, toen er een cholera-epidemie heerste.

Bijna twintig jaar geleden, in 1996 nadat de Talibaan grote delen van Afghanistan hadden veroverd maar nog niet de hoofdstad Kabul, nam mullah Mohammad Omar een gewaagd besluit. Hij sloeg de gewijde mantel om zijn schouders en vertoonde zich aan een menigte van 1.500 mullahs en Talibaan (‘Koranstudenten’). Hij had kunnen worden opgeknoopt wegens heiligschennis. Maar de mensenmassa juichte. Hij werd Amir ul-Momineen, Leider van de Gelovigen.

Zo bevestigde Omar, wiens overlijden deze week werd gemeld, zijn wereldlijke leiderschap en dwong hij, belangrijker nog, erkenning af als geestelijk leider van het Islamitische Emiraat Afghanistan.

Vijf jaar later kwam een einde aan het bewind van de Talibaan en aan Omars grip op Afghanistan. Hij viel in ongenade, niet omdat mannen werden verplicht hun baard te laten staan. Of omdat vrouwen („van nature zwakke wezens”) binnenshuis moesten blijven (al eeuwenlang de mores op het conservatieve platteland), meisjes niet naar school mochten en mensenrechten anderszins werden geschonden. Of omdat begin 2001 de Boeddha’s van Bamiyan werden vernietigd omdat „alleen God, de Almachtige, mag worden aanbeden, en niet iemand of iets anders”.

Nee, Omars misrekening was dat hij onderdak bood aan Osama bin Laden – de leider van Al-Qaeda, die in augustus 1998 al bomaanslagen liet plegen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi (Kenia) en Dar es Salaam (Tanzania), en die vervolgens op 11 september 2001 de wereld schokte met terreuraanvallen op de VS.

Mystieke figuur

Een maand na 9/11 viel Amerika Afghanistan binnen en verdreef met milities van de zogeheten Noordelijke Alliantie de Talibaan uit de macht. Washington installeerde met Hamid Karzai ‘zijn’ eigen Pathaanse president. Maar Bin Laden en Omar werden niet gepakt. Bin Laden werd pas in 2011 gedood bij een operatie van Amerikaanse commando’s in Noord-Pakistan.

Ook Talibaan-leider Omar vluchtte naar buurland Pakistan. Hij woonde de afgelopen jaren waarschijnlijk in Karachi, de miljoenenstad aan de kust met een grote, uit Afghanistan afkomstige Pathaanse gemeenschap. In Karachi leed Omar een verborgen bestaan, maar ongetwijfeld onder toezicht van de Pakistaanse geheime dienst ISI.

Het moment dat Mullah Omar de heilige mantel aantrok, was een van de weinige keren dat hij zich vertoonde. Hij gaf nauwelijks interviews, een enkele keer liet hij uit zijn naam verklaringen uitgaan. Maar over het algemeen is hij steeds een mystieke figuur gebleven. Vast staat wel dat hij van bescheiden afkomst is, telg uit een arme boerenfamilie uit de buurt van Kandahar. Maar over zijn geboortejaar bestaat twijfel: waarschijnlijk 1961, maar mogelijk 1959.

Zijn actie in Kandahar in 1996 was gewaagd, maar in de decennia daarvoor had Omar zich ook al een dapper man betoond. Op Eerste Kerstdag 1979 vielen de Sovjets binnen en werd Afghanistan – eerder een lieflijke bestemming voor hippies – het laatste grote slagveld van de Koude Oorlog. Islamitische strijdgroepen begonnen vanaf Pakistaanse bodem een guerrilla tegen de goddeloze indringers. Geld en wapens kwamen van de VS, Saoedi-Arabië en China; de Pakistaanse geheime dienst verdeelde de ‘hulp’. Ook Omar sloot zich, nog als tiener aan bij het verzet van de mujahedeen. Hij vocht in een factie van Hizb-e-Islami, en verloor een oog. Vandaar zijn bijnaam: de Eenogige.

De Sovjet-bezetting duurde tien jaar. Na de smadelijke Russische aftocht in 1989 trokken ook de VS zich snel terug uit de regio. Voor de Afghanen zelf bleken de oorlogsontberingen vergeefs. In plaats van gezamenlijk een nieuwe staat op te bouwen, richtten de vroegere verzetsgroepen de wapens op elkaar. Na de val van de laatste communistische regering van president Najibullah in 1992 veranderden grote delen van Afghanistan in vrijplaatsen voor lokale krijgsheren en bendeleiders. De bevolking werd er geterroriseerd.

Omar bezag de verloedering met lede ogen. Hij had zich teruggetrokken in Singesar, een dorp ten oosten van Kandahar, waar hij een madrassa (Koranschool) had opgericht, toen hij in het voorjaar van 1994 besloot dat de tijd rijp was om de zondaars van de vroegere mujahedeen te verdrijven. Dat zou zijn gebeurd nadat in de buurt twee meisjes waren ontvoerd naar een militiekamp en waren verkracht. Met tientallen van zijn studenten viel Omar het kamp aan, bevrijdde de meisjes en hing de commandant op aan de loop van een tank.

Lompenproletariaat

Voor zijn missie kon Omar rekenen op steun van jonge ‘Koranstudenten’, afkomstig uit het Afghaanse lompenproletariaat in de overvolle vluchtelingenkampen in Pakistan. Aanvankelijk werd er lacherig over gedaan, maar dat veranderde toen de Talibaan in steeds rapper tempo oprukten. In september 1996 veroverden ze Kabul. Het eerste wat ze deden was het opknopen van Najibullah (die verstopt zat in een VN-kantoor), het ontwapenen van tegenstanders (tot grote opluchting van de bevolking) en het opleggen van hun extreem-fundamentalistische geloofsopvatting.

Omar zelf kwam niet of nauwelijks in Kabul. Van overheidsbestuur onder de ongeschoolde Talibaan was geen sprake. Het ambtenarenapparaat was verdwenen. De Pakistaanse analist Ahmed Rashid schreef in 2000 dat het Talibaan-regime steeds meer de „irrationele en dictatoriale karaktertrekken” vertoonde van die van de vroegere Rode Khmer in Cambodja.

Alleen Pakistan, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten erkenden het regime. Maar er waren ook gesprekken met Amerikaanse oliemaatschappijen, ondanks mensenrechtenschendingen en slechte leefomstandigheden.

Zelf zei Omar in 1995 in een van zijn zeldzame interviews: „We hebben het volledige geloof in God de Almachtige. Hij kan ons zegenen met de overwinning of ons in de ondergang storten.”

Die ondergang kwam er uiteindelijk door toedoen van zijn beruchte gast Bin Laden. Mullah Omar noemde de aanslagen van 11 september een „tragedie”. Maar hij weigerde Bin Laden uit te leveren. „Wij doen een dringend beroep op de Amerikaanse regering tolerant te zijn. Wij vragen haar onderzoek te verrichten en de echte daders op te sporen. Wij willen de wereld overtuigen dat Osama de Afghaanse bodem niet kan gebruiken tegen enig ander land”.

De reactie is bekend, de rest werd geschiedenis.