Luister naar je vader

Herstel het vaderlijk gezag, dat wil de meest barokke woordkunstenaar onder de Duitse filosofen. Na 1968 is de mens een vrije nomade zonder besef van afstamming geworden. Funest, beweert hij.

Foto Dreet Production/Corbis/HH

Soms is het goed dat een boek een blurb, een flaptekst, heeft. Anders zou ik niet geweten hebben waar Peter Sloterdijks nieuwe boek, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd, over gaat. In zijn ‘Opmerking vooraf’ zou je een vraagstelling verwachten, of althans iets van een richtingaanduiding. In plaats daarvan weidt Sloterdijk uitvoerig uit over het concept van de erfzonde en de duistere doorwerking daarvan.

Zo’n vijftig bladzijden verder weet je nog altijd niet waar je aan toe bent. Dan heb je inmiddels een uiteenzetting over Madame de Pompadours kwinkslag Après nous le déluge, de sombere conservatief Joseph de Maistre en de roman Wat te doen? van de Russische schrijver Nikolaj Gavrilovitsj Tsjernysjevski achter de kiezen. Gelukkig brengt de blurb uitkomst. Dit boek bevat ‘een opzienbarende kritiek op de vrijheidsdrang van de hedendaagse mens’, zo meldt het achterplat. En het schildert in één moeite door ‘een diepzwart portret’ van diezelfde mens.

Sloterdijk is de meest barokke woordkunstenaar onder de hedendaagse Duitse filosofen. Als geen ander weet hij een krachtig wijsgerig instrument te maken van de Germaanse hebbelijkheid om eindeloos nieuwe woorden te kunnen vormen door oude aan elkaar te plakken. Versleten begrippen gaan, eenmaal vastgekleefd aan hypermoderne noties, opnieuw glanzen en krijgen een onvermoede actualiteit. Opgenomen in virtuoos gekrulde zinnen weet Sloterdijk zo het genre van de pietà te omschrijven als de ‘laptop-scène in het absolute’ of het (veelzeggende, zo zal later blijken) gebruik van het woord ‘vader’ in het christendom als een reeks van ‘psychosemantische neologismen in de scala van het pathologische vocabulaire.’

Dat kan een tijd lang vermakelijk en zelfs filosofisch opwindend zijn, te meer omdat Sloterdijk zijn betogen soms weet op te vrolijken met goed gekozen illustraties: een unicum in de wijsbegeerte. Hij deed dat al in zijn verrassende Kritiek van de cynische rede, waarmee hij in 1983 internationaal doorbrak, en herhaalde dat ruim vijftien jaar geleden in de nóg lijviger trilogie Sferen. In De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd ontbreken de plaatjes, maar Sloterdijk compenseert dat door in zijn stijl door te schieten van barok naar rococo. Vrijwel alles lijkt in dit boek arabeske te zijn geworden: een absoluut woordkunstwerk waaraan letterlijk vrijwel geen touw valt vast te knopen.

Maar net als je denkt dat zoiets ook de bedoeling is en Sloterdijks woordkunst die soevereine onaantastbaarheid zoekt, neemt plotseling een ándere schrijver het woord. De begenadigde verteller wisselt de dichter-wijsgeer af en onderhoudt ons over uiteenlopende episoden uit de westerse geschiedenis. Lenin en Hitler komen langs, maar ook Wagner, Franciscus van Assisi, Socrates en Jezus Christus. Pas helemaal aan het eind duikt er een verbindende gedachte op, waarin al die verhalen in een kader komen te staan. Ze getuigen stuk voor stuk van de westerse drang tot vadermoord, aldus Sloterdijk. Door zich onafhankelijk te verklaren van zijn afstamming heeft het avondland zijn vrijheid veroverd, maar daarmee weet het niet meer wie het is en op welke grond het staat. ‘Als dat maar goed afloopt’, zo citeert hij de moeder van Napoleon.

Scherpe filippica

Ook in eerdere boeken bleek Sloterdijks verbale berg soms een filosofische muis te baren, al verrast het karakter van die muis deze keer wel. In een scherpe filippica geeft Sloterdijk de Franse filosofen Gilles Deleuze en Félix Guattari er ongenadig van langs. In het kielzog van ‘mei ’68’ publiceerde zij hét manifest van de vadermoord: de enkele jaren geleden alsnog in het Nederlands vertaalde Anti-Oedipus (1972). Niet alleen de vader moest er bij hen aan geloven, maar ook de wet, orde en staat waar de vader volgens de psychoanalytische logica model en garant voor staat. Mensen moesten vrije ‘nomaden’ worden: seksueel, geografisch en beroepsmatig ongebonden. Dat viel toen in goede aarde.

Niet als eerste merkt Sloterdijk op dat Deleuze en Guattari op een heel andere manier gelijk hebben gekregen dan zij beoogden. De ‘vrije energiestromen’ die zij wilden ontketenen heten nu ‘globalisering’; de ongebonden nomade is de flexwerker en zzp’er van vandaag. Het is maar zeer de vraag of die laatste daarmee gelukkig is geworden. Maar Sloterdijks somberheid strekt zich nog verder uit. Met het afzweren van de vader, afkomst en erfenis, is de mensheid een zwalkend bestaan gaan leiden dat – in de woorden van Nietzsche – ‘valt in de richting van een onbekend x’. Ze is gaan lijden aan een vrijheidsdelirium dat gebondenheid loochent.

Sloterdijk vindt dat een schrikwekkend vooruitzicht en misschien heeft hij daarin gelijk. De teloorgang van de ‘vader’ in de westerse cultuur werd een halve eeuw al beschreven door Alexander Mitscherlich (1908-1982), die Sloterdijk niet één keer noemt maar wiens sociologische inzichten hij filosofisch radicaliseert – inclusief de obligate jeremiade over de teloorgang van het kerngezin. Dat dit laatste meer modieuze praat dan werkelijkheid is, doet er niet zoveel toe. Sloterdijk luidt de noodklok over een beschaving die bezig is zichzelf voorbij te hollen.

Nakende catastrofe

Daar is ongetwijfeld veel van waar, maar intussen sleept Sloterdijks muisje wel zijn berg achter zich aan. Verwacht hij de nakende catastrofe af te wenden met een herstel van het vadergezag? Zelf vader, vind ik dat misschien niet zo’n slecht idee – als het er op het front van gezag, afkomst en erflaterschap echt zo beroerd voor zou staan. In werkelijkheid gaat Sloterdijks rococoretoriek met zijn gedachten op de loop. Wat eerst een vadermetafoor was, werd een (bedreigde) échte vader – en die haalt aan het eind van het boek met een onverwachte draai zijn slag binnen door herstel van zijn aanzien te eisen. Van de weeromstuit eindigt Sloterdijk als een knorrige grootvader met een kippige blik op de werkelijkheid waarmee het helemaal mis lijkt te gaan.

Het was niet Napoleons moeder maar mijn eigen oma die bij dreigende penarie steevast sussend zei: ‘Het zal wel meevallen’. Dat geldt niet alleen voor het kerngezin of de plaats van de vader, maar ook voor het lot van de aarde dat met Sloterdijks wereldhistorische apocalyptiek weinig opschiet. Problemen genoeg, daar niet van. Maar juist in een tableau als dat van Sloterdijk sluipt snel iets frivools binnen en raken de echte probleemoplossers van de regen in de drup.

Fraai is en blijft het wél, wat Sloterdijk met de (kunstig vertaalde) Duitse taal weet te doen. De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd is als een museaal kunstwerk waar je ademloos naar kunt kijken. Maar je moet er wel vanaf blijven – en niet proberen er touwen aan vast te knopen.