‘Ik kies niet voor de kooi, ik ben erin geboren’

De Man Booker International Prize is een soort Nobelprijs voor Literatuur. NRC Handelsblad had een exclusief gesprek met de winnaar van die prijs, László Krasznahorkai.

László Krasznahorkai: ‘Ik ben in Hongarije opgesloten, want daar ben ik geboren en getogen, net als mijn verwanten en de vrienden die ik had’ Foto Colin McPherson/Corbis

‘Je probeert bij de ceremoniële uitreiking iets te zeggen dat minder banaal is dan wat er van je verwacht wordt, en natuurlijk ben ik blij met de prijs,” vertelt de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai wanneer we elkaar spreken over de prestigieuze Man Booker International prijs die hij dit voorjaar kreeg. Deze prijs wordt om het jaar uitgereikt aan een auteur wiens oeuvre toegankelijk is voor het Engelstalige publiek, tezamen met de vertaler van het werk. Dit jaar ontving László Krasznahorkai de prijs voor zijn ‘niet aflatende creativiteit en zijn vernieuwende bijdrage aan de wereldliteratuur’.

Krasznahorkai publiceert onafgebroken sinds eind jaren zeventig. Zijn oeuvre beslaat ruim tien romans, verhalen en essaybundels. Zijn debuutroman Satanstango over valse hoop in uitzichtloze armoede, een eeuwige condition humaine, was zowel inhoudelijk als in vorm een opmerkelijke tour de force. Het boek inspireerde filmmaker Béla Tarr om het in beelden om te zetten in een ruim zeven uur durende zwart-wit film. Het was tevens het begin van een hechte samenwerking waaruit cultfilms als Werckmeister Harmonies, The Man from London en The Turin Horse voortkwamen. Het Nederlandse publiek kende Krasznahorkai dan ook in eerste instantie als scenarioschrijver – de roman Satanstango is pas in 2012 door Mari Alföldy vertaald. Een volgend boek, Melancholie van het verzet, is in voorbereiding.

Krasznahorkai heeft zich na de drukte van de prijsuitreiking in een Zwitsers dorp teruggetrokken en laat zich niet graag interviewen – zozeer niet dat hij bij de eerste afspraak de telefoon niet opneemt. Een dag later klinkt hij vief en opgewekt als hij zich verontschuldigt. Hij is er nu klaar voor om in zijn kenmerkende meer-dan-volzinnen het gesprek aan te gaan.

Hoe was het om de prijs te delen met vertalers George Szirtes en Ottilie Mulzet?

„Absoluut bijzonder. Toen lang geleden ter sprake kwam dat Satanstango in het Engels zou worden uitgegeven, was het mijn uitdrukkelijke wens dat George Szirtes de vertaling op zich zou nemen. De uitgever was gelukkig bereid om acht jaar op Szirtes’ vertaling te wachten. Met Mulzet, die bij Szirtes gestudeerd heeft, heb ik veel overlegd. Haar nauwkeurigheid in de weergave van de Engelse versie van de Krasznahorkai-taal is een aanvulling en verrijking van de magnifieke taal van de dichter Szirtes, die zich niet door mijn zinswendingen in rare bochten laat wringen. Als ik mijn boeken aan lezers in het buitenland toon, zeg ik er altijd bij: ‘hiervan heb ik geen woord zelf geschreven’.”

Uw vertalers moeten voor een grote uitdaging hebben gestaan, alleen al door de soms enorme lengte van een meanderende ‘Kraszhahorkai-zin’.

„Het is geen vraag of mijn zinnen kort zijn of lang, ik geloof ook niet dat de natuurlijke zin kort is, korte zinnen heb ik altijd als buitengewoon manipulatief ervaren, of als een slechte gewoonte, mensen praten niet in korte zinnen, ik zit niet op een computer te tikken of op een potlood te kauwen en probeersels van zinnen op te schrijven, het geheel vormt zich in mijn hoofd, er stromen hele zinnen door mijn hoofd in allerlei richtingen, waar ik er dan voorzichtig hier en daar één probeer uit te lichten, waardoor een onderling verband ontstaat, iets wat beelden oproept die zich dan in het hoofd van de lezer nestelen.”

Wat is de perceptie van de lezer die uw ervaringen niet deelt? Bij uw landgenoten Ottlik en Kertész speelt de vraag of ervaringen zijn over te dragen een belangrijke rol. Houdt dat ook u bezig?

„Voor het begrijpen van vertaalde literatuur is allereerst vertrouwen nodig in de auteur, wat niet afhangt van de plaats waar de lezer zich bevindt; hij hoeft niet hetzelfde te voelen als een Hongaarse lezer, het is voldoende als hij voelt wat iedereen zou voelen wanneer het gaat om de waardigheid van de mens, als deze met voeten wordt getreden, en wanneer het gaat om hoe onze kansen eruit zien in het bestaan. In dit opzicht is de gevoeligheid van de Nederlandse lezer dezelfde als die van de Oezbeekse of de Japanse.”

In uw eigen land wordt u tot geen enkele stroming gerekend. Ik zou zeggen dat u niet zozeer een Hongaarse, eerder een universele schrijver bent.

„Dat is erg vleiend, ik neem aan dat u het niet gaat opschrijven. Er zijn in de literatuur zonderlingen die nergens bijhoren, al wil ik me niet tot zulke schrijvers rekenen, want het zou niet billijk zijn tegenover hen. Sinds mijn jeugd ben ik idolaat van Dostojevski en Kafka. Die laatste staat toch het dichtst bij mij, misschien omdat hij, hoewel zeer sterk aan één plek gebonden – Praag was de val, de kooi waarin hij opgesloten zat – toch geen deel uitmaakt van de Tsjechische literatuur, aangezien hij in het Duits schreef. Tegelijkertijd maakt hij geen deel uit van de Duitse literatuur, want, enzovoort. Iedereen mag hem als de zijne beschouwen, en het gelukkigst zou ik zijn als de lezer mij ook op dezelfde wijze zou zien.”

Dus het maakt u niet uit of u wordt gezien als Hongaars schrijver?

„Jawel, dat maakt we wel degelijk uit. Het was Kafka ook niet om het even of hij in Praag opgesloten zat of elders. Ik ben in Hongarije opgesloten, want daar ben ik geboren en getogen, net als mijn verwanten en de vrienden die ik had. De Hongaarse taal betekent een eeuwige band met het land. Het is dus wel van belang in welke kooi iemand zich bewust wordt van zichzelf en van de ander.”

U denkt vaak in termen van gekooid zijn in plaats van vrijheden. Waarom is dat?

„Dat is niet iets waar je voor kiest, je wordt erin geboren. Bovendien maakt het niets uit welke kooi de jouwe is, zij laat geen ruimte voor vrij handelen. Hooguit kun je dromen hoe het zou zijn zonder. Het helpt ook niet om de plaats waar je leeft te verwisselen, wat ik voortdurend doe, dolend door de wereld. Vóór de val van het communisme dolend door Hongarije, overal voel je je in dezelfde val. Het vervelende van dit gevoel is dat je daardoor een idealistische voorstelling gaat koesteren over vrijheid. Jullie, gelukkiger wezens, zullen je moeilijk kunnen voorstellen dat iemand zijn leven als een kooi ervaart, bovendien, om met Kafka te praten, een welverdiende. Het gaat niet om onschuldige slachtoffers…”

Hebben de dorpelingen dit ook verdiend, die in ‘Satanstango’ naar betere tijden verlangen en in de ban raken van de oplichter Irimiás, die ze niet alleen uitbuit en in de steek laat, maar hen ook de schuld geeft van alle kwaad?

„Uiteraard. Ze wachten op iemand die ze komt voorliegen. Deze mensen zijn niet dom, ze weten precies in wat voor situatie ze zich bevinden, zoals wij dat allen donders goed weten. Weten op zich is nog niet zo moeilijk, maar het feit erkennen wel. De helden in deze roman-achtige ruimte weten dat er geen hoop is dat ze uit deze situatie kunnen breken, en ze hebben dus geen verlosser nodig, maar iemand die hen kan laten geloven dat het zin heeft om in de verlossing te geloven. Een valse profeet is hun allerlaatste strohalm, want een echte profeet zouden ze niet geloven, die zouden ze stenigen en om zijn kruisiging vragen, zoals dat gebeurd is en nog steeds overal gebeurt. Er is een valse profeet nodig, die slim genoeg is om ze zó voor te liegen over de hoop, dat ze het wél geloven.”

U heeft ooit gezegd dat u het verlies van eerlijke armoede betreurt, ‘het vermogen om prachtige liederen te zingen wanneer we arm zijn’, in uw eigen woorden. Hoe moeten we dat interpreteren?

„Ik heb het verschil willen laten zien tussen arm zijn en nood lijden. Armoede heeft een cultuur, noodlijdend zijn niet. Armoede is een systeem dat verschillende historische perioden overspant en tot een bepaalde hoogte het fundament vormt van de verschillende samenlevingen en gemeenschappen, nood is eenvoudigweg ontbering, gebrek. Iemand die nood lijdt, heeft geen ander doel in het leven dan aan dit gebrek te ontsnappen.”

Onverwacht fel haalt Krasznahorkai uit naar het „wereldwijde kapitalisme”, dat hij als oorzaak ziet van deze degradatie van de armoede, en dat de armen belet om een leven op te bouwen en zich met cultuur te omgeven. „Armoede slaat om in gebrek wanneer het heersende economische systeem de onafhankelijke levensruimte opheft van degene die het enkel als consument wenst te erkennen. Dit zal overal plaatsvinden, en voorlopig lijkt het wereldwijde kapitalisme zo triomferend, dat er slechts kleine eilanden kunnen overblijven van kunstmatig onderhouden gemeenschappen, die met hun naïeve geloof, maar volkomen uitgeleverd aan de werkelijkheid, hun eigen regels opstellen en ernaar levend de realiteit trachten te ontvluchten, een realiteit waarvoor iedereen natuurlijk zou moeten vluchten, echter, er zijn steeds minder mensen die zich het gevaar bewust zijn.”

Waar zou iemand naartoe kunnen vluchten dan?

„Dat is een onnozele vraag. Ik weet niet of u ooit in uw leven hebt moeten vluchten, niet overdrachtelijk, maar in het echt; ik wel, uit Bosnië bijvoorbeeld. Ik kan u verzekeren dat dan niet in je opkomt waar je graag heen zou willen, er bestaat geen doel, de vlucht kent maar één vast punt: het punt van aanhechting, van het vertrek. Je vlucht wordt enkel bepaald door de oorzaak ervan, het gevaar.”

En als het om de realiteit van de kunst gaat?

„Er bestaat een voor mij sympathieke theorie die zegt dat de natuurlijke staat van de denkende mens, de mens die zowel nadenkt als over de gevoeligheid van een kunstenaar beschikt, de armoede is. Deze laat hem vrij. Ik zie het beeld van de gewone man die zich volgens de geldende mode kleedt, en van de kunstenaar in een soort eeuwig lang gewaad dat zijn armen, benen, hoofd, alles vrij laat bewegen. Deze vrijheid heeft de modieuze man niet. Terwijl kunst zonder die bewegingsvrijheid, zonder de vrijheid van het kijken, in een buitengewoon benarde situatie is. Ik zeg niet dat dit de enige juiste manier, of de enige aanvaardbare manier is voor een bestaan als kunstenaar, mogelijk zijn er heel veel manieren. Mogelijk kan een groot kunstenaar in een totaal gebrek aan vrijheid kunst voortbrengen. Maar meestal is dat hooguit in eenzaamheid.”