Houd toch op met die corruptie

Het land dat veel mee heeft – jonge bevolking, een tamelijk stabiele parlementaire democratie, respect voor particulier bezit – staat op het punt te imploderen, aldus de Britse journalist John Elliott. Wat te doen?

De zakenman gaf drie kilo goud aan de god Venkateswara. Het hielp niet. Foto Corbis

In India lopen oude tradities en moderne ontwikkelingen vaak op een grillige manier door elkaar. Wat deed entrepreneur Vijaya Mallya toen zijn luchtvaartmaatschappij Kingfisher Airlines in ernstige financiële problemen raakte? Hij toog naar de voor hindoes heilige plaats Tirupati, met in zijn bagage drie kilo goud voor de god Venkateswara, een reïncarnatie van de god Vishnu. Het hielp niet. Zijn bedrijf ging ten onder.

Met deze anekdote toont journalist John Elliott, die al decennia in India woont en werkt, aan hoe Indiërs zich blijven vastklampen aan oude tradities. Ze gaan er, als het er op aankomt, vaak te veel van uit dat de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan. Dat ze slechts van de goedertierenheid van de goden hun lot laten afhangen. Elliott duidt dit in zijn prikkelende boek aan met de Indiase term chalta hai, vrij vertaald zoiets als ‘alles is mogelijk’.

Die mentaliteit verklaart volgens Elliott waarom India steeds maar weer niet voldoet aan de hoog gespannen verwachtingen van zichzelf en het buitenland, vooral als het economische groei betreft. Op het eerste gezicht heeft het land veel troeven: een tamelijk stabiele parlementaire democratie, een vrije en naar Aziatische begrippen open samenleving, respect voor particulier bezit en een grote jonge bevolking, waarvan een deel uitstekend is opgeleid en vloeiend Engels spreekt.

Voorspellingen als realiteit

Toch lukt het maar matig met India. Het heeft China, dat zeventig jaar geleden nog mijlenver achter India lag, al decennia geleden langszij zien komen. Dat ligt onder meer, zegt Elliott in zijn genadeloze analyse van India’s zwakke plekken, aan de manier waarop Indiërs opereren. Ze hebben over het algemeen meer belangstelling voor het nemen van besluiten dan voor de uitvoering daarvan. Vooral politici lijden aan die tekortkoming. Elliott: ‘India omarmt voorspellingen enthousiast als realiteit, terwijl het grotendeels de noodzaak vergeet er voor te werken en ze te realiseren’.

De grote vraag, ook voor Elliott, is of de vorig jaar aangetreden premier Narendra Modi er in slaagt hierin een kentering aan te brengen. Hij verhult niet dat hij meer vertrouwen in Modi heeft dan in de Congrespartij, die maar niet uit de greep van de Nehru/ Gandhi dynastie weet te komen. ‘Het land zou waarschijnlijk beter af zijn geweest zonder hen’, luidt Elliotts harde oordeel over Nehru, zijn dochter Indira, zijn kleinzoon Rajiv en diens Italiaanse vrouw Sonia. Vooral onder de laatste was de dynastie vaak meer met zichzelf bezig dan met het welzijn van India. Rahul, de wispelturige zoon van Rajiv en Sonia, is volgens Elliott evenmin uit het juiste hout gesneden.

Voor veel Indiërs is het doen van zulke uitspraken over de roemruchte dynastie, de Kennedy’s van India, nog altijd vloeken in de tempel. Elliott onderbouwt zulke stellingen echter met veel feiten. De essentie van zijn boek is hoe India is ontspoord. Er dreigt volgens hem zelfs een implosie.

Dat laatste is een beetje overdreven. Maar het valt niet te ontkennen dat vooral de corruptie India’s fundament steeds meer uitholt. Een politicus die openbare fondsen wegsluist voor privédoeleinden hoeft, zelfs als hij of zij wordt gesnapt, vrijwel nooit iets terug te betalen. Overheidsopdrachten voor de bouw van nieuwe wegen, openbare gebouwen en mijnbouwprojecten worden bijna standaard op frauduleuze wijze toegekend. Ook de media raken steeds meer gecorrumpeerd. Er liggen enveloppen met inhoud klaar voor economische journalisten en zelfs bij gerenommeerde kranten als The Times of India is het volgens Elliott mogelijk ruimte te kopen op de redactionele pagina’s met positieve opmerkingen over het betalende bedrijf.

Modi’s grootste uitdaging is te breken met deze cultuur en de integriteit van het bestuur te herstellen. Tegelijk moet de economie weer op stoom komen. De traditionele aanpak om de dingen met lapwerk overeind te houden is niet meer voldoende, constateert Elliott terecht. Er is een ingrijpende economische liberalisering nodig, waarbij de (corrupte) staat een stapje terugdoet en ondernemers meer ruimte krijgen. Anders zal het onvermijdelijk gaan broeien onder India’s gigantische cohorten jongeren – elke maand komen er een miljoen jongeren bij op de arbeidsmarkt.

Verpletterende verkiezingszege

Bij deze bijna heroïsche taak kan Modi aansluiten bij een assertievere en groeiende middenklasse, die niet meer pikt dat een kleine politieke en ambtelijke elite zichzelf op kosten van de gemeenschap verrijkt. Daarvan getuigde de verpletterende verkiezingszege van de nieuwe Aam Aadmi Party, de partij van de gewone man, bij recente lokale verkiezingen in New Delhi. Ook vrouwen eisen meer rechten, getuige de ophef over recente verkrachtingszaken. Daarbij moet Modi proberen de lieve vrede tussen hindoes en moslims te bewaren. Dus moet hij niet te veel lonken naar de radicale hindoes binnen zijn eigen hindoepartij, de BJP, ook al onderhoudt hij vanouds nauwe banden met hen. Dus geen herschrijven van geschiedenisboekjes en geen eenzijdiger maatregelen tegen moslims en andere minderheden.

Elliott, die vooral voor financiële bladen werkt en daarom vrij sterk op het bedrijfsleven is gericht, heeft te weinig oog voor een van India’s grootste problemen: de aanhoudende, stuitende armoede van honderden miljoenen mensen. Hij erkent dat hieraan iets moet gebeuren, wil India vooruitkomen, maar verdiept zich verder nauwelijks in de achtergronden hiervan of in mogelijke oplossingen. Een smet op een verder scherpzinnig en nuttig boek.