Feestvieren met zichtbare tegenzin

Zoals ieder jaar op de laatste twee donderdagen van juli en de eerste twee donderdagen van augustus vierde Velp, het dorp van mijn jeugd, feest. Feest zoals ze alleen daar feest kunnen vieren: met zichtbare tegenzin.

Niemand had zin, en juist dat maakte ‘De Velleper Donderdagen’, want zo heet het evenement, voor mij zo sympathiek. Met elkaar richtten winkeliers, kraamhouders en Velpenaren iedere keer weer een monumentje voor het menselijk tekort op, wat als je het kwam bewonderen nog tegenviel ook.

Wat ooit begon als ‘Centrum Velp Promotie’ om de plaatselijke winkeliers in de moeilijke zomermaanden aan klanten te helpen, was voor een aantal winkeliers nu juist reden om de deur dicht te houden. Sinds de organisatie uit handen was gegeven aan de kraamverhuurders van ‘Star Promotions’ was het een jaarlijkse invasie van sjacheraars geworden. Voor het pand van de plaatselijke juwelier stond iemand horloges voor vijf euro te verkopen. Bij de sjieke bakkerij & kaashandelaar aan de Rozendaalselaan zagen ze zelf ook wel in dat ze kansloos waren tegen al die snackkarren.

Behalve dat de weg was afgezet, was er niets te doen. De B-artiesten die vroeger van het podium op de Hoofdstraat werden gescholden waren vervangen door mascotte ‘Velpie’, een puber in een muizenpak die met een bewaker aan zijn zijde tussen de kraampjes scharrelde.

De Albert Cuyp kwam op visite: sieraden van medisch metaal, geluksstenen, dvd’s, verjongingscrèmes, slurpie-ijs, make-upartikelen voor 1 euro, papieren harten met teksten als ‘Home sweet home’ en vooral veel plastic beschermhoesjes voor de mobiele telefoon. En vier voor een tientje onderbroeken met opdruk. ‘Don’t worry be sexy’.

De meeste handelaren hadden een buidel om hun middel gebonden om er het verdiende geld meteen in te stoppen, maar er werd weinig verkocht. Velpenaren en dagjesmensen liepen hoofdschuddend voorbij, als een zich langzaam volvretende lange rups trokken ze langs de kraampjes. Niemand amuseerde zich, er werd vooral geklaagd dat er niets te doen was en dat het een stuk minder was dan vroeger. Dat zeiden we vroeger ook al tegen elkaar.

Tussen het grote niks trof ik bekenden, die het net als ik ook weer ‘helemaal niets’ vonden. We zeiden het niet hardop, maar we wisten dat we elkaar volgend jaar weer zouden treffen. Wij waren de Velleper Donderdagen.

Je moet in Velp zijn opgegroeid om dat te begrijpen.