Een eenling tussen de rebellen

Het tweede deel van De Thibaults richt zich vooral op de rebellerende rijkeluiszoon Jacques aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Het is ook een geschiedfilosofisch traktaat, met briljante scènes.

De Franse socialistenleider Jean Jaurès (1859-1914) houdt een anti-oorlogstoespraak in mei ’13 in Le Pré Saint-Servais

Roger Martin du Gards roman Les Thibault bestaat uit acht delen, die oorspronkelijk tussen 1922 en 1940 verschenen. In de Nederlandse vertaling zijn ze samengevoegd tot twee omvangrijke delen. Het vorig jaar verschenen eerste deel is een fenomenaal boek dat de verbleekte roem van de schrijver, die in 1937 de Nobelprijs voor Literatuur won, oppoetste en lezers reikhalzend deed uitzien naar deel twee, dat eindelijk is verschenen.

We treffen Jacques Thibault in Genève aan, waar hij armoedige zolderkamers bewoont. Hij heeft afgezien van de erfenis van zijn vader, de autoritaire conservatieve katholiek Oscar Thibault, en komt moeizaam rond als journalist. Zijn ambitie schrijver te worden heeft hij opgegeven, zijn streven is nu gericht op de internationale revolutie. Uitgebreid beschrijft Martin du Gard de kringen waarin Jacques zich ophoudt, de ‘vogelvrijverklaarden, die uit alle hoeken van Europa waren gekomen’, de socialisten, communisten, anarchisten, esperantisten, idealisten en opportunisten. De pacifisten hopen op parlementaire hervormingen, de mannen van de harde lijn daarentegen willen de arbeidersmassa met haat voeden, omdat het kapitalisme alleen met geweld vernietigd kan worden.

In deze proletarische kringen wordt Jacques gerespecteerd vanwege zijn revolutionaire ijver, maar zijn bourgeois afkomst verloochent zich niet; ook tussen rebellen is de rebel een eenling. Hij ontbeert het blinde geloof van de kameraden. Hij is te veel een rationalist, een individualist, om op te kunnen gaan in collectieve actie.

1914

Het is zomer 1914. Wanneer het nieuws doordringt dat de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand in Sarajevo is vermoord, begrijpen de revolutionairen, die de internationale politiek op de voet volgen, al snel dat de vrede in gevaar is. Oostenrijk verdenkt Servië van betrokkenheid bij de aanslag en overweegt een strafexpeditie. Mocht die er komen, dan is de kans groot dat Rusland Servië te hulp zal schieten, waarna Duitsland Oostenrijk zal steunen. Frankrijk, bondgenoot van Rusland, zal vervolgens met Duitsland in oorlog zijn. Als gevolg van dat alliantiesysteem kan een oorlog tussen Oostenrijk en Servië uitmonden in een Europees conflict.

De meeste revolutionairen willen de oorlog koste wat het kost voorkomen. In alle betrokken landen zou het de arbeidende klasse zijn die het slagveld op wordt gejaagd, en van haar ultieme offer zou uitsluitend de bezittende klasse profiteren. Bovendien zou de aanstaande revolutie vertraging oplopen: er is inmiddels een socialistische oppositie in verschillende Europese landen, maar nergens is het proletariaat sterk genoeg om de macht over te nemen – en in een staat van beleg zouden de oude verhoudingen snel hersteld worden. Oorlog zou de internationale klassenstrijd naar de achtergrond dringen.

Maar niet iedereen denkt er zo over. Er zijn revolutionairen die redeneren dat een revolutie alleen in tijden van crisis kan slagen en dat een oorlog de crisis bij uitstek is. Zij dwarsbomen heimelijk de inspanningen van de meerderheid van de kameraden, die het internationale proletariaat oproepen dienst te weigeren.

De politieke ontwikkelingen in de weken na de aanslag op Franz Ferdinand, de toenemende oorlogsdreiging, de vele opgewonden vergaderingen en manifestaties van de socialisten – dit alles wordt door Martin du Gard nauwgezet beschreven. In historisch opzicht is dat interessant, maar het verhaal loopt af en toe vast in een overdaad aan ideologisch debat.

Een nadeel is ook dat het dominerende perspectief van Antoine verschoven is naar Jacques. De jongste van de broers is in de ogen van de oudste ‘de eeuwige adolescent’: ‘onstuimig, excessief, oprecht, roekeloos en bedeesd, een voorliefde voor abstracte ideeën, een afschuw van halve maatregelen, en de charme die voortkomt uit een onvermogen tot scepsis...’ Dat laatste is een broederlijk eufemisme voor Jacques’ drammerigheid – ‘de kapitalistische wereld is on-ver-dedig-baar!’ –, die hem als hoofdpersoon veel minder aantrekkelijk maakt dan Antoine.

Wanneer het perspectief bij Antoine ligt, wordt het verhaal pakkender. Hij is weliswaar als typische bourgeois altijd bezig ‘vooruit te komen in de wereld’ en mag in zijn ijdelheid graag denken dat hij zijn mooie medische positie uitsluitend aan zijn wilskracht dankt en niet aan zijn fortuin, maar in de eerste plaats is hij toch een man van de wetenschap die bereid is alles, ook zijn zelfbeeld, aan twijfel te onderwerpen. Het is die twijfel die hem tot zo’n geslaagde hoofdpersoon maakt.

Als de oorlog uitbreekt, doet Antoine wat hij als zijn plicht ziet. Als militair arts wordt hij slachtoffer van een aanval met mosterdgas. Hij maakt zichzelf nog even wijs dat hij zal genezen, totdat hij – in een briljante scène – van het gezicht van zijn oude mentor precies dat toneelspel afleest dat hij zelf ook altijd heeft opgevoerd tegenover patiënten die reeds opgegeven zijn. ‘Natuurlijk, dacht Antoine, versuft door de bruutheid van de schok. Diep van binnen wist ik het ook... Verloren!’

In het dagboek dat hij gedurende de laatste maanden van zijn leven bijhoudt, maakt hij een ontgoochelende balans op: ‘Ben slechts een middelmatig mens geweest [...] Was verblind door trots.’ Echte vrienden heeft hij nooit gehad, een diepgaande liefdesrelatie evenmin. De in het eerste deel beschreven affaire met Rachel ‘is ondanks alles het beste wat er in mijn leven gebeurd is’. De manier waarop Antoine afscheid van het leven neemt is ontroerend , zij het niet zo ontzagwekkend als Oscar Thibaults sterfscène in deel 1.

Tolstoj

Al met al haalt Martin du Gard in dit tweede deel niet het topniveau van het eerste deel. Wat vooral beklijft is de geschiedfilosofische les van het boek. Zoals Tolstoj, Martin du Gards grote voorbeeld, in Oorlog en vrede liet zien dat belangrijke historische gebeurtenissen zich niet volgens de wil van een Napoleon of een Alexander I voltrekken, zo stelt De Thibaults dat geen van de politieke hoofdrolspelers in Europa enige vat had op de ontwikkelingen die tot de Eerste Wereldoorlog leidden, of ze zelfs maar kon overzien. In de woorden van een patiënt van Antoine, de diplomaat Rumelles: ‘De dingen lijken ons te zijn ontsnapt... als vanzelf te gaan... zonder dat iemand ze leidt, zonder dat iemand ze wil... Niemand... De ministers noch de heersers. Niemand die je bij naam zou kunnen noemen...’