De irritante kitsch van Harry Mulisch, aldus Van Oorschot

Omdat ik na lezing van Het zwarte licht al op mijn zestiende had besloten dat er in de hele wereld nooit iets mooiers geschreven was of zou worden dan die novelle van Harry Mulisch, lag het voor de hand dat ik meteen dóór zou gaan – met het maar enkele jaren oudere Archibald Strohalm bijvoorbeeld. Maar ik deed het niet. Zelfs toen ik een paar jaar geleden het intrigerende oordeel van Geert van Oorschot las. ‘Zoals ik u schreef was ik van bepaalde gedeelten in het begin van uw manuscript verrukt’, schreef de uitgever aan de volstrekt onbekende Haarlemse jongeman die hem een manuscript had gestuurd. De verrukking was niet het enige dat Van Oorschot opmerkte. Naast de sublieme passages stond ‘irritante kitsch’, naast de boeiende delen, ‘stukken welke alleen maar langdradig en vervelend zijn’. Mulisch antwoordde dat hij best wat wilde veranderen, maar: ‘Eerlijk gezegd stoort de omwerking van Strohalm enigszins het program, dat ik mijzelf voor mijn leven heb opgelegd’. Het boek verscheen bij De Bezige Bij.

Op zoek dus naar de sublieme passages en de irritante kitsch. De irritante kitsch is niet moeilijk te vinden: ‘Daar beneden zwom een jong, zwart hondje in kringen rond en herhaalde onverzettelijk zijn vergeefse pogingen om tegen de steile wal te klauteren. Het richtte zich een beetje uit het water op, krabbelde met zijn pootjes tegen de keien, zonk weer weg en trok zijn cirkeltje, het ijsvlies op het water versplinterend.’ Alleen de hondenogen ontbreken nog. Het diertje wordt gered en even moet je denken aan de opnamen van de tweehonderd ‘paarden van Marrum’ die zich in 2006 uit een ondergelopen polder wisten te redden, een film die Mulisch zo ontroerde dat die bij zijn afscheidsbijeenkomst werd vertoond.

Gelukkig blijkt er in Archibald Strohalm genoeg te lachen te zijn, bijvoorbeeld wanneer een merkwaardige kunstschilder aan de held van het verhaal vraagt: ‘Hoe komt het eigenlijk, dat je denkt dat je een kunstenaar bent, of een filosoof, of wat is het? Sinds wanneer heb je dat?’ Waarop Archibald Strohalm doodernstig antwoordt: ‘Sinds vanmiddag.’ Zo tuimelen we meteen het eeuwig jongensachtige Mulisch-universum in, een wereld waarin elke gedachte om een uitroepteken lijkt te smeken. Verwonderd volgen we Strohalms stappen, die uiteindelijk – als het al niet zo goed meer met hem gaat – leiden tot steeds minder coherente gedachten: ‘ach, goede zeemijlen, Amsterdamse vadems, yards, paplepels en scheepslasten! Hundred-weight (cwt), 0,0648 g, 30 ¼ sq pls. Myr.m², gills, barrels, anna rudolf cornelis hendrik izaak bernard anna lodewijk dirk, - uitholling overdwars, wegversmalling!’

Uitholling overdwars, wegversmalling! Ik moet er nog een weekje over nadenken, maar iets zegt me dat daarin de sleutel zit tot het Mulisch-universum – of in elk geval een stukje ervan!