Tot God haar de berg zou geven

Talloze keren schilderde Georgia O’Keeffe de pastelkleurige bergen van New Mexico. In dit woestijnlandschap stuitte ze ook op de schedels die haar zo beroemd hebben gemaakt.

Georgia O’Keeffe in New Mexico, 1960, met achter haar een schilderij uit de seriePelvis Series Red With Yellow. Foto Tony Vaccaro/Getty Images

Ergens langs de U.S. 84 zit een vrouw te schilderen onder een afdakje. De overkapping staat op een parkeerplaats van gebarsten asfalt, in de schaduw van roestrode kliffen. Bossages en gras bedekken een vulkanische ondergrond, een meertje volhardt in de hitte. Boven dit landschap torent de Cerro Pedernal uit, een tafelberg die ik niet eerder zag maar direct herken.

Meer dan honderd keer schilderde Georgia O’Keeffe, de moeder van het Amerikaans modernisme, deze ene berg, waarop – naar verluidt – haar as is uitgestrooid. Wanneer ze hem vaak genoeg zou vastleggen, zou God hem haar schenken, zo beweerde ze. Maar op een bepaalde manier schonk zij óns de berg. De werkelijkheid valt niet langer los te zien van de kunst. Zonder haar zou de vrouw onder het afdakje hier niet zijn geweest. Net zo min als het afdakje. Net zo min als ik.

Wanneer ik een praatje kom maken, stelt de vrouw zich voor als Nancy. Ze is een jaar of zestig, klein en pezig, maar ze schildert nog met vitale streken. In een oude Dodge is ze helemaal uit Minnesota gekomen, vergezeld door haar Duitse herder, die languit naast haar ligt, de tong ver uit de bek. „Eerste keer hier?”, vraag ik.

„Elk jaar, als het kan. Jij?”

„Eerste keer. Hoe ver nog tot Ghost Ranch?”

„Twee mijl, tops. Ga je intern?”

Ik schud nee. „Gewoon interesse.”

„Een magische plek”, zegt ze. „Het zal je bevallen.""

Tranend oog

„Het is vijf uur in de ochtend”, schreef Georgia O’Keeffe in augustus 1929 aan Mabel Dodge Luhan. „Ik ben al ongeveer een uur op en heb gezien hoe de maan bleker werd en de dageraad aanbrak – ik liep over het natte gras rond het Pink House – en ik zag een heldere, heldere ster, zo helder dat het een tranend oog leek.”

O’Keeffe ontdekte New Mexico bij toeval. Ze was op weg naar Colorado toen overstromingen haar zuidelijker dwongen. Dat was in 1917, en hoewel ze pas in 1929 voor de tweede keer naar New Mexico kwam, zou ze later zeggen al die jaren op de weg terug te zijn geweest. In de lente van ’29 vertrok ze zonder haar echtgenoot, fotograaf en kunstpromotor Alfred Stieglitz, naar het stadje Taos. Daar kreeg ze onderdak bij Mabel Dodge Luhan, een bankierserfgename die zich omringde met kunstenaars en schrijvers als D.H. Lawrence, Martha Graham en Ansel Adams, in de hoop Taos tot een cultuurcentrum te maken.

Ook O’Keeffe was zo’n gekende naam. Hoewel ze door armoede gedwongen ooit haar schilderopleiding had moeten opgeven, maakte ze vanaf 1916 furore met werk dat de grens tussen abstract en figuratief onderzocht. Mede dankzij de promotionele inspanningen van Stieglitz. En toch, de coterie rond Stieglitz verstikte haar, en het stak dat haar werk in seksuele termen werd geduid, wat niet los kon worden gezien van de naaktfoto’s die Stieglitz van haar had gemaakt. Het landschap van New Mexico, waar ze tot haar definitieve verhuizing in 1949 enkele maanden per jaar verbleef, werkte louterend. Hier verwierf ze het aura van de heilige in de woestijn.

Inmiddels is Taos veranderd in een toeristenval. Na een rit door het Santa Fe National Forest loop ik vast op stapvoets voortrollend verkeer van dagjesmensen. In het stadje stikt het van de galeries en tussen de roodbruine woningen van adobe – een mengsel van zand, water, klei, mest en stro – vind je motels en een grote supermarkt. Overal: beroepshippies en pensionado’s.

Het Mabel Dodge Luhan House ligt aan het eind van Morada Lane, een weggetje dat snel over het hoofd is gezien. Hier streek de naamgeefster neer op een landgoed tussen Taos en Taos Pueblo, dat al duizend jaar door indianen wordt bewoond. Luhan was hertrouwd met een lokale Tewa-indiaan en wilde haar literaire salon van New York naar New Mexico verplaatsen.

Uit de brieven die O’Keeffe schreef, blijkt dank voor de gastvrijheid, maar ook spanning veroorzaakt door O’Keeffes hartelijke band met Luhans echtgenoot. Het Mabel Dodge Luhan House was het decor voor affaires, zelfontdekking en openlijke homo- en biseksualiteit, maar tegelijk was er de verstikkende jaloezie van de gastvrouw.

Tegenwoordig is het complex een National Historic Landmark, dat dienst doet als herberg en conferentiecentrum. Het Pink House, waar O’Keeffe verbleef, is inmiddels privébezit – velden met alfalfa hebben plaatsgemaakt voor een parkeerplaats. Big House, dat altijd al het hart van het complex vormde, blijkt vergeven van zweverige dames met geld.

Twee plekken in de buurt van Taos hebben mijn bijzondere interesse. Het dichtstbij is het houten kruis bij een vervallen kerkje dat uitkijkt over het land. Het ligt officieel op indianengrond, maar het is toegestaan er te wandelen, zo is me verzekerd. Wat opvalt is hoe fragiel het kruis in werkelijkheid oogt, daar waar O’Keeffe het zo robuust schilderde. In dit landschap stuitte O’Keeffe op schedels van vee, die ze tot ergernis van Stieglitz naar de oostkust liet verschepen. Zo ontstond onder meer het befaamde Cow’s Skull – Red, White, Blue (1931). „Door de zon gebleekt gebeente”, zei ze, „tekent schitterend af tegen blauw – dat blauw dat er nog altijd zal zijn, lang nadat de mens klaar is met zijn vernietigend werk.”

Tegen het eind van de middag rij ik naar de katholieke kerk van buurdorp Ranchos de Taos. De Church of San Francisco de Asis is een abstractie, zeker de achterzijde, die bij O’Keeffe favoriet was. De kerk is opgetrokken uit adobe, en wanneer de zon schijnt, zoals vandaag, lijkt het stro in de klei te gloeien. De vormen, tegelijk hoekig en organisch, zorgen voor een intrigerend spel van schaduwen. Op de dag dat ik er ben, heeft iemand een sedan achter het gebouw geparkeerd – de kleurkeuze van het voertuig kan bijna geen toeval zijn. Ik richt mijn camera en maak, in de voetstappen van velen, mijn eigen beeld van de kerk.

Voetnoot

Vanaf Taos is het nog twee uur rijden naar Santa Fe, de pittoreske hoofdstad van New Mexico waar het Georgia O’Keeffe Museum is gevestigd. Ik breng er één nacht door, niet langer – Santa Fe is een voetnoot in O’Keeffes geschiedenis. Om door te dringen tot háár New Mexico moet je de Highway 84 nemen, in noordwestelijke richting, waar het landschap leger en ruiger wordt: rotsen in tinten rood, grijs en geel, scherp afgetekend tegen verblindend wit en blauw van wolken en hemel. „Hier leven”, zei ze, „was puur geluk. Ik denk dat ik half gek ben van liefde voor deze plek.” Terwijl de kilometers verglijden, voel ik de rust van de totale vrijheid. Is het toeval dat O’Keeffe hier haar eerste auto kocht? Vast niet.

Mijn bestemming is Ghost Ranch, de plek die meer dan enige andere met O’Keeffe geassocieerd wordt. Ze verbleef er voor het eerst in de jaren veertig, toen het nog een zogeheten ‘Dude Ranch’ was, gericht op het Amerikaanse equivalent van agriturismo. Uiteindelijk kocht ze op het uitgestrekte terrein haar eerste huis, waarin ze een atelier had met uitzicht op háár berg. De ranch ligt voorbij Abiquiu, waar O’Keeffe een tweede woning kocht, om zo nu en dan te ontsnappen aan de eenzaamheid, en om te tuinieren, wat de droogte rond Ghost Ranch niet toestond. Dat huis is tegenwoordig in bezit van de Georgia O’Keeffe Foundation, die mondjesmaat bezoekers toelaat.

Ghost Ranch zelf wordt aangekondigd door een poort van palen. Erachter ligt een onverhard pad tussen stofheuvels en spaarzame struiken. Het leidt naar een gebouw waarin een conferentiecentrum en twee kleine musea huizen. Het ene legt zich toe op artefacten die de volledige 12.000 jaar omvatten dat dit gebied al bewoond is, het andere ligt vol met de oude rotsen en beenderen die O’Keeffe zo inspireerden. O’Keeffe staat hier misschien centraal, maar de ranch heeft een bredere culturele betekenis. Zowel voor de hoge als de lage cultuur, want Hollywood filmde er onder meer klassiekers als No Country for Old Men en City Slickers. De cabin uit die filmkomedie staat nog altijd fier rechtop.

Hoewel grote delen van Ghost Ranch zijn afgesloten voor publiek, is het goed mogelijk lange wandelingen te maken. Maar je moet je wel eerst even aanmelden en een indicatie geven van je voorgenomen richting. „Als je verdwaalt en te weinig te drinken bij je hebt, kan het snel gaan”, zegt de dame achter de balie. „We móéten weten wie daarbuiten rondloopt.”

In de directe omgeving van het conferentiecentrum stikt het van de gebouwtjes waar kunstenaars en andere gasten verblijven. Vaak zijn het niet meer dan spartaanse hokken met stapelbedden. Mensen zie ik nauwelijks. Volgen ze workshops? Zijn ze aan het wandelen om inspiratie op te doen? Of zijn het de geesten waaraan deze plek zijn naam ontleent? Ik ga heuvel op en heuvel af, zand en steentjes krakend onder mijn voeten – het geluid doorbreekt een onwerkelijke stilte. Onder me, in de vallei: campers en tenten.

Verderop wordt het land gelukkig weer wat leger. Zichzelf. Hier liep O’Keeffe om indrukken te verzamelen die zouden worden omgezet in tijdloze kunst.

Het enige jammerlijke – hoe toepasselijk ook – is dat het vrijwel onmogelijk is in de buurt te komen van Rancho de los Burros, O’Keeffes huis. De afgelegen woning viel na haar dood toe aan Juan Hamilton, haar assistent, die het huis later weer verkocht. Alleen wie weet waar te kijken, kan het in de verte zien liggen, aan de voet van rode en gele rotswanden. Ze kocht de woning in 1940 van rancher Arthur Pack, vooral uit irritatie dat Pack het huis ook aan anderen verhuurde. Toen het eenmaal haar bezit was, brak ze muren door en bouwde ze haar studio. Het huis had geen telefoon en zelfs radiosignalen konden Rancho de los Burros niet bereiken. Dat isolement beviel O’Keeffe, die maar matig met mensen uit de voeten kon. Soms sliep ze op het dak, overweldigd door een sterrenhemel zoals die zich alleen in de woestijn openbaart.

„Als ik aan de dood denk”, zei ze ooit, „spijt het me alleen dat ik dit prachtige land niet meer zal zien… behalve wanneer de indianen gelijk hebben, en mijn geest hier nog zal rondlopen lang nadat ik vertrokken ben.”

Misschien dat haar geest hier niet letterlijk rondloopt, maar de herinnering aan haar leeft. Dat besef ik pas goed nu ik hier sta. We zien dit land door háár ogen omdat ze iets van haar geest in de onze heeft geplant.