Terugkeerplan

In december deed ik mee aan ‘de nacht van de vervanging’, een initiatief van ASKV/Steunpunt Vluchteling waarbij je voor een nacht een uitgeprocedeerde asielzoeker – ‘een ongedocumenteerde’ – in de maag gesplitst kreeg. Wij kregen Shiraz te logeren, een 44-jarige Koerdische Irakees die ons, terwijl hij de ene na de andere sigaret opstak, zijn levensverhaal vertelde. Hij was vanwege het hebben van een mening als 26-jarige in het laadruim van een Turkse vrachtwagen gekropen, waar hij een paar dagen later in Rotterdam werd uitgegooid. Wat volgde was een oneindig lijkende tocht van loket naar loket, een zich steeds herhalende cyclus van hoop, verwachting en teleurstelling, die achttien jaar later eindigde met de mededeling dat hij officieel ongewenst was verklaard. Die was hij ‘daar’ ook, want zijn familie had hem laten weten dat ze hem niet terug wilden. Ze vonden hem een loser omdat het hem niet gelukt was om in Nederland een bestaan op te bouwen. Dat kon niet want het was hem verboden om te studeren of te werken. Dat laatste deed hij toch. Hij repareerde voor anderhalve euro per uur computers in een sociale werkplaats. Dat liever dan de hele dag thuis zitten in de schuilflat in Geuzenveld, die hij met twee andere ongewensten deelde.

We hielden contact, af en toe kwam hij op bezoek. Dan rookte hij op het balkon de asbak vol en vroeg zich hardop af waarom hij eigenlijk nog leefde. Hij had spijt dat hij naar Nederland was gekomen, dat hij zich zo lang van het kastje naar de muur had laten sturen, dat hij zich niet ontwikkeld had.

„Hadden ze maar meteen gezegd dat ik niet welkom was, daarmee had ik kunnen leven. Nu ben ik oud, nu zijn mijn kansen voorbij.”

Een paar weken geleden zagen we elkaar voor het laatst. Op een terras aan de Amsterdamse Middenweg aten we bitterballen en dronken we IJ-bier. Er was een terugkeerplan. Hij zou worden uitgezet en een kamer huren in Sulaymaniyah, een stad in het noorden van Irak. Wat hij daar ging doen, hij had geen idee. Hij hoopte op een baantje in een hotel, of anders een winkeltje beginnen met iets wat ze hier wel en daar nog niet hadden.

Hij dacht aan stroopwafels, twee bier later deden we enthousiast over het importeren van de kaasschaaf, maar we wisten dat het niets zou worden.

Gisteren stuurde hij een sms vanaf Schiphol.

‘Ik ga vandaag versterken’, waarmee hij ‘vertrekken’ bedoelde, ‘jullie horen nog van me.’

Ergens in de lucht hing even later een depressieve man die wilde dat hij achttien jaar geleden niet in Rotterdam uit een Turkse vrachtwagen was gestapt. Hij liet niets achter en ging nergens naar toe. De toekomst was dat hij ergens in Sulaymaniyah heel veel ging roken.