Prettige anarchie uit Frankrijk

In het Van Abbemuseum zijn werken te zien van regionale Franse kunstinstellingen. Door jong aan te kopen, bezitten deze ‘Fracs’ een prachtige collectie vroege werken van kunstenaars die nu grote namen zijn.

Lili Reynaud Dewar, Some Objects Blackened, 2011. Uit de collectie van het Frac des Pays de la Loire Foto Stephen Robinson

De grote zomertentoonstelling in het Van Abbemuseum in Eindhoven heet A Republic of Art – en die titel, daar is iets mee. Op het eerste gezicht past die namelijk perfect bij de grote sociale ambities die het Van Abbe er al jaren op nahoudt. ‘Een republiek van kunst’, dat suggereert een plek waar kunst de macht heeft overgenomen, een maatschappij waar kunst de leidraad is, een enclave misschien wel, waar kunstenaars de kans krijgen een nieuwe, socialere, zeg maar gerust betere wereld te scheppen, precies zoals ze dat in het Van Abbe graag zien. Zoals het museum zichzelf misschien wel ziet.

Maar niks daarvan.

A Republic of Art is eigenlijk een ‘gewone’ zomertentoonstelling – maar dan wel een ongebruikelijke. Voor de expositie maakten Van Abbe-curatoren Annie Fletcher en Diana Franssen een persoonlijke keuze uit de collectie van de zogenaamde Fracs: de Fonds Régionaux d’Art Contemporain, regionale kunstinstellingen in Frankrijk, die aan het begin van de jaren tachtig in het leven werden geroepen door de toenmalige cultuurminister Jack Lang. Dertig jaar later bezitten de 23 Fracs in totaal zo’n 26.000 kunstwerken van 4.200 kunstenaars – vooral Fransen – en het idee is dat via deze instellingen de beeldende kunst in het algemeen wordt gestimuleerd. Niet alleen doordat de Fracs werken aankopen, maar ook door werk te tonen en het uit te leggen aan het grote publiek – zoals nu dus ook in Eindhoven.

Fracs zijn daarmee het symbool van ouderwetse kunstverspreiding, gecombineerd met volksverheffing en dat helemaal in de geest van de vroege jaren tachtig – en daar heb je meteen weer de link met het idealistische Van Abbe. Daar is niks mis mee, alleen is het jammer dat dit idealisme, zoals vaker in het Van Abbe, zo moeizaam wordt gepresenteerd. Waarom geef je je prikkelende zomertentoonstelling in vredesnaam een onaantrekkelijke titel als A Republic of Art als die ook al samenhangt met iets wat in Nederland zo onbekend en ongrijpbaar is als de Fracs? Daar gaat toch niemand op een zonnige zomerdag naar toe (‘Kom jongens, eerst lekker naar de Frac-overzichtstentoonstelling en dan een ijsje!’)?

Dat is extra jammer, omdat A Republic of Art een onvervalste aanrader is – al geldt dat misschien vooral voor kenners en fanatiekere kunstliefhebbers. Dat heeft alles te maken met het uitgangspunt van de Fracs: omdat die zijn opgericht om kunst in al haar facetten te stimuleren, zowel makers als publiek, kopen ze vooral werk aan van jonge, aanstormende kunstenaars: die zijn goedkoop en kunnen wel wat steun gebruiken. Maar daardoor bezitten de gezamenlijke Fracs na dertig jaar verzamelen (naast ongetwijfeld een enorme hoop onzin) een prachtige collectie vroege werken van kunstenaars die tegenwoordig ‘groot’ zijn.

Of het nu hedendaagse sterren zijn als Thomas Hirschhorn, Pierre Huyghe, Philippe Parreno, Carsten Höller, Lara Almarcegui en Simon Starling, oudere ‘kanonnen’ als Sophie Calle, Paul McCarthy, Sarkis, Gabriel Orozco, Luc Tuymans, Gerhard Richter en Hans Haacke of aanstormende grootheden als Monica Bonvicini, Lili Reynaud Dewar en Subodh Gupta, ze hangen er allemaal. Vaak zijn dat vroege werken die je niet meteen herkent omdat ze nog in een andere stijl zijn gemaakt, wat de tentoonstelling extra verfrissend maakt. Neem de fantastische, ironisch-modernistische schuursponsjesinstallatie van Thomas Hirschhorn of de twee prachtige, kale, vroege Tuymansen (uit de tijd dat Tuymans nog geloofde in de verbeelding van de toeschouwer) of de vreemde roze-gele installatie met verrassend veel venijn van Carsten Höller en ga zo maar door. Terloops maakt de expositie bovendien duidelijk dat Franse kunst het afgelopen decennium bijna sluipend, na jaren te hebben gezucht onder het juk van over-intellectualisme, weer ‘en vogue’ is geworden. Lopend over de expositie besef je dat opvallend veel van deze kunstenaars, zoals Huyghe en Parreno en Hirschhorn, tegenwoordig op geen enkele internationale expositie meer zijn weg te denken.

Dat is op zich al mooi, maar juist het feit dat deze expositie nu is te zien in het Van Abbe, met zijn uitgesproken en idealistische beleid, levert een extra interessante confrontatie op. Geheel in de geest van het museum namelijk proberen Fletcher en Franssen de kunstgeschiedenis zoals die wordt getoond hun eigen kant op te schrijven – in de richting van die ‘Republic of Art’. In de jaren tachtig wordt dus volgens de zaalteksten ‘de gevestigde orde opengebroken’, in de jaren negentig breidt de kunst zich ‘uit naar andere disciplines’ terwijl er in dat decennium ook wordt ‘nagedacht over kunst en het dagelijkse leven’ en staat de kunst vanaf de jaren nul in het teken van de ‘globalisering, economie, duurzaamheid, migratie en arbeid’.

Daar valt met gemak een alternatieve geschiedenis tegenover te stellen (ik doe maar een gooi: jaren tachtig: opkomst van fotografie en video, jaren negentig: verdwijnen van de avant-gardes, jaren 2000: kunst raakt in de greep van de markt), maar daar gaat het niet om: het zijn vooral de werken zelf die in A Republic of Art bewijzen dat zulke ideologisch gekleurde interpretaties goede kunst altijd tekortdoen. Neem het werk van de Franse kunstenaar Raymond Hains, op A Republic schijnbaar een van de meest geëngageerde kunstenaars: zijn werk speelt zowel met het schelplogo van Shell als met niet artistieke manieren waarop het woord ‘Rodin’ in het straatbeeld voorkomt. Natuurlijk zit er in Hains’ werk een maatschappijkritische ondertoon, maar het is evengoed grappig (Rodin wordt als naam voor de meest idiote dingen gebruikt, ongetwijfeld omdat het zo lekker sjiek klinkt), complex en verdiepend: zo laat Hains heel mooi zien dat de Shell-schelp dezelfde is die het symbool is van de heilige Jacob, u weet wel, die van de Pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. Pelgrims-verplaatsing-olie – het is bijna te mooi om waar te zijn. Maar of dat nou kritisch is?

En zo gaat het eigenlijk met bijna alle werken op A Republic. Ze zijn met smaak en lef gekozen, maar precies om die reden voldoen ze vervolgens ook zelden aan het beperkte interpretatieve keurslijf waaraan de curatoren ze willen onderwerpen. Aan de andere kant: dat is niet erg, want juist door die nadrukkelijke sturende context ging ik me lekker ergeren en betrapte ik mezelf erop dat ik scherper en geconcentreerder keek. Want dat is het mooie: uiteindelijk heerst in deze ‘Republic of Art’ een prettig soort anarchie, waarin iedereen doet wat hij wil en waarin de kunstenaars laten zien dat ze in de dagelijkse praktijk van hun werk zelden denken in de termen en begrippen die museumconservatoren of critici eraan toekennen. Zo hoort het ook, en dat levert een aanstekelijke tentoonstelling op.