Graanschuur voor de wereld

In museum MAXXI in Rome organiseert Wereldvoedsel- organisatie FAO een expositie over voedsel. Wat eten ter dood veroordeelden als laatste avondmaal? En hoe beïnvloedt voedsel de architectuur in een stad of de macht in de wereld?

Foto op de tentoonstelling ‘Food’ in Rome: vrouwen uit de stad Shagra in Noord-Darfur, Soedan, leren hoe ze kunnen koken in energiezuinige ovens Foto WFP/ Pia Skjelstad

Toen ik zes jaar oud was in 1965 werkte mijn vader voor de Wereldvoedselorganisatie FAO. Hij had me beloofd dat ik een keer met hem mee mocht naar het FAO-hoofdkantoor in Rome. Van daaruit werd tegenover de ruïnes van keizer Augustus’ paleis de honger in de hele wereld bestreden, had hij me verteld. Ik verheugde me dagenlang op een enorme graanschuur waar duizenden mensen in de weer zouden zijn eten over de wereld te verschepen. Maar het bleek slechts een somber kantoorgebouw, daar ooit neergezet door Mussolini. Mannen in pakken schoten er deuren in en uit met dikke mappen onder hun arm. ‘Is dit nou waar het allemaal over gaat? Eten voor de hele wereld?’, peinsde ik die avond na in mijn bedje in Rome.

Nu, vijftig jaar later, ben ik weer terug in Rome. In museum MAXXI heeft de FAO ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling in Milaan de tentoonstelling Food, dal cucchiaio al mondo, voedsel van de lepel naar de wereld, georganiseerd. Wat wonderlijk is, want de essentie van het voortbestaan van de FAO is immers dat er na al die jaren voor 80 procent van de wereldbevolking nog steeds niets op die lepel ligt. De expositie gaat dan ook heel discreet niet over honger maar over eten. Maar wel op zo’n subtiele manier dat je overal de honger onder al dat eten voelt.

‘Eten is het meest elementaire in het leven. Laten we dus beginnen met de dood’, moet de curator van de Food-expositie Pippo Ciorra gedacht hebben. De eerste confrontatie als je er binnenloopt is de serie No Seconds van Henry Hargreaves: foto’s van het laatste diner van 35 Amerikaanse ter dood veroordeelden. In de VS mogen ter dood veroordeelden net voor hun executie kiezen wat ze als laatste avondmaal willen eten. De 33-jarige Timothy McVeigh, de terrorist die met de bomaanslag in Oklahoma City 168 mensen vermoordde, at een halve liter muntijs met chocoladesnippers. Allen Lee ‘Tiny’ Davis nuttigde na drie moorden en roofovervallen een uitgebreid diner met kreeft en lekker veel bier. De in 1927 ten onrechte veroordeelde anarchisten Sacco en Vanzetti schoven hun elektrische stoelen aan voor een kopje groentesoep en een toastje. Bij die keuzes van de veroordeelden gaat het uiteindelijk niet eens over eten, maar over hoe ze op het laatste moment nog een tastbare vorm probeerden te geven aan hun honger naar het leven.

Vervolgens bouwt de tentoonstelling door op de thema’s Huis, Straat, Stad, Landschap en Wereld. Je krijgt veel over je heen. Droefgeestige gasfornuizen in het communistische Rusland van de jaren vijftig. De jarenzestigglorie van Tupperware. Vrouwtjes die zielig zijn omdat ze in Soedan gehurkt moeten koken. Het ultrachique restaurant Mestizo in Chili. Een leuk slaplantje op een dakterras in New York. En een Italiaanse supermarkt met een architectonisch vooruitziende blik. De interpretaties van alles wat met eten te maken heeft, vallen niet aan te slepen en als bezoeker lacht je hier vooral de emotie van de herkenning toe. Maar intussen kruipt ergens diep in je onderbuik langzaam het gevoel van schuld binnen.

Het is daarna dus even bijkomen. Maar direct daarop volgt een blijde verrassing. Het tweede deel van de expositie wordt beheerst door het 25 meter lange kunstwerk The Granary – precies zo’n graanschuur als ik vijftig jaar geleden in Rome hoopte aan te treffen.

Op de pentekening is de graanschuur de hoofdpersoon van een soort stripverhaal door de eeuwen heen, gerealiseerd door de Rotterdamse Crimson Architecturical Historians. Niet alleen als essentie van het ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, maar vooral ook als instrument van politieke macht.

Dat begon al met de Egyptische farao’s die met hun verborgen graanvoorraden het volk in toom hielden. De definitieve val van Venetië als soevereine staat bestond in het door Napoleon neerhalen van de graanschuren van de Doges die daarmee altijd de prijs van het graan en zo het overleven in Venetië bepaald hadden. Zelfs Stalin blijft niet buiten beeld, die met zijn graanpolitiek 5 miljoen mensen in Oekraïne uithongerde om daar zo de macht in handen te houden.

Na dat hoogtepunt dwarrelt de expositie weer wat lusteloos door. Veel architectuur, Le Corbusier en Indianen die rondfietsen in Mumbai en daar lunchpakketjes afleveren, de zogeheten Dabbawala waar zelfs een speelfilm over gemaakt is. Maar ondanks alle irritatie daarover, of misschien juist dankzij die irritatie, zit het ritme van de exposite zo goed in elkaar dat je er helemaal door meegesleept wordt.

Een paar dagen later is mijn vader toevallig ook in Rome. Met hem zie ik nogmaals de expositie. Mijn vader is nu 84 en steunt daar op mijn arm zoals ik in 1965 in dat FAO-gebouw als klein jongetje op de zijne steunde. We lopen samen in stilte door de expositie. Hij blijft zwijgen en dat is bijzonder want hij praat altijd graag. Mijn vader was indertijd een van de grootste voorvechters van de internationale politiek binnen de FAO en pleitte voor het belang van Libië, Iran, Egypte en Tunesië – allemaal landen die nu een puinhoop zijn van honger en politieke onrust. Mijn vader blijft maar zwijgen. Ik vraag hem: „Is dit nou waar het allemaal over gaat? Al dat eten tegenover de honger in de wereld?” Hij knikt. „Ja, dit is precies waar het over gaat.”