De Lijstjeslawine: acht boeken over mens en dier

Ernest Hemingway was een fervent jager. Hier poseert hij met een geschoten leeuw in 1934, ergens in Afrika (Foto Wikicommons)

In een wekelijkse webserie over boeken die met de actualiteit in verband gebracht kunnen worden, deze week acht boeken over de moeizame relatie tussen mens en dier, naar aanleiding van de dood van Cecil, Zimbabwes lievelingsleeuw.

Denis Johnson: Tree of Smoke (2007)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.38.12
Deze roman over de Vietnam-oorlog, die werd beloond met de National Book Award, opent met een aangrijpende scène waarin de Amerikaanse matroos Houston in 1963 door de Filippijnse jungle loopt met een “geleend kaliber 22-geweer”. De scène laat zich lezen als een spiegel van de naderende Vietnam-oorlog. De matroos “wist niet wat hij van dit land moest vinden. Hij wilde gewoon wat jagen in de jungle. Er zouden hier wilde zwijnen zitten.”

Maar zijn doelwit zal geen wild zwijn zijn. In de bomen boven hem ziet hij een aap zitten, die “niet veel groter dan een chihuahua” is.

“Zonder eigenlijk ook maar ergens aan te denken haalde hij de trekker over.” Het beest stort ter aarde en ligt stuiptrekkend op de grond. “Het hees zich overeind, zich met een voorpoot van de grond af duwend, en ging met zijn achterpoten voor zich gespreid achterover tegen de boomstam aan zitten, als iemand die uitrust van een inspannend karwei.”

Houston is er zich plotseling van bewust welke schade hij heeft aangericht:

“Matroos Houston voelde hoe zijn eigen maag werd opengereten. ‘Jezus Christus!’ schreeuwde hij naar de aap, alsof die iets kon doen aan zijn penibele, beroerde toestand. Hij dacht dat zijn hoofd zou barsten als de voormiddag zich in de jungle om hem heen bleef branden en de meeuwen bleven krijsen en de aap behoedzaam zijn omgeving bleef gadeslaan, zijn kop en zwarte ogen van links naar rechts bewegend als iemand die de voortgang van een of ander gesprek volgt, een of ander debat, een of ander gevecht met zichzelf waarin de jungle - de morgen - het moment- gewikkeld was. Matroos Houston liep op de aap af, legde het geweer ernaast en tilde het beest met beide handen op, zijn achterste in de ene hand en houdend terwijl hij in de andere zijn kop wiegde. Gefascineerd, toen vol walging besefte hij dat de aap huilde. Zijn adem kwam in snikken, en in zijn ogen welden tranen op wanneer hij ermee knipperde. Hij keek her en der, schijnbaar net zomin in hem geïnteresseerd als in wat hij verder ook maar mocht zien. ‘Hé!’, zei Houston, maar de aap leek het niet te horen. (Vertaling Bert Meelker & Maarten Polman, 2008)”

Ernest Hemingway: Green Hills of Africa (1935)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.38.47
Volgens een criticus van The New York Times was dit boek “the best-written story of big-game hunting anywhere I have read”. Green Hills of Africa is het tweede non-fictieboek van Hemingway, waarin hij in vier delen verslag doet van een safari die hij enkele jaren daarvoor met zijn toenmalige vrouw Pauline Pfeiffer ondernam. Het doden van een neushoorn en een koedoe lost Hemingway af met gesprekken over Europese schrijvers.

Deon Meyer: Spoor (2010)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.39.08
Deon Meyer (1958) schreef acht misdaadthrillers die zich allemaal in Zuid-Afrika afspelen. Net als in zijn detective Onzichtbaar (2007) draait het ook in Spoor om stropers. Twee zwarte neushoorns uit Zimbabwe moeten de grens over. De gedachte is dat zo de zeldzame zwarte neushoorn gered wordt, maar in feite zijn de twee een ‘dekmantel’ voor een diamantenroof. De tocht loop uit op een hel.

Parallel aan dit verhaal loopt dat van een vrouw die bij de presidentiële inlichtingendienst (PIA) gaat werken, en zelf in problemen komt door de afluisterpraktijken. Het dagboek van deze vrouw en de rapportages over de afluisterpraktijken geven Meyer ruim baan om de actualiteit in Zuid-Afrika op te nemen.

Ernest Hemingway: The Old Man and the Sea (1952)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.39.46
De hoofdpersoon van The Old Man and Sea is Santiago, een oude Cubaanse visser die, na lange tijd bot te hebben gevangen, in de Caraïbische Golf een gigantische marlijn aan de haak slaat. Het kost hem dagen om het beest uit te putten en binnen bereik te krijgen; en als hij het eenmaal heeft gedood en aan zijn boot heeft vastgesjord, wordt het aangevallen door hongerige haaien. De gepijnigde oude man weet met zijn laatste krachten nog een paar roofvissen over de kling te jagen, maar wanneer hij terugkeert in de haven van Cojímar is alleen het skelet van de reuzenvis nog over. Gebroken sjouwt hij zijn mast aan land (een bijbels tafereel, dat ongetwijfeld zo bedoeld is) en valt hij neer in zijn armoedige hutje. Maar zoals hij zelf aan boord van zijn boot al voor zich uit heeft gemompeld:

“Man is not made for defeat. A man can be destroyed but not defeated.”

De volgende dag zal hij weer uitvaren, de oude man heeft in elk geval aan de gemeenschap laten zien dat hij nog niet afgeschreven hoeft te worden.

John Williams: Butcher’s Crossing (1960)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.40.24
2013 was ontegenzeggelijk het jaar van Stoner, de herontdekte roman uit 1965 van de Amerikaanse schrijver John Williams (1922-1994). En toen moest de vertaling van Butcher’s Crossing nog verschijnen. Toen het eenmaal zo ver was schreef Rob van Essen in NRC:

“Niet elk jaar lees je een boek dat zo meeslepend is dat je er bijna in verdwijnt en alles om je heen vergeet. Butcher’s Crossing van John Williams is zo’n boek. Williams was bij ons tot nu toe vooral bekend als de schrijver van het overrompelend succesvolle Stoner, maar hij schreef nog drie andere romans. Eén daarvan is Butcher’s Crossing, waarvan dinsdag een Nederlandse vertaling verschijnt. En wat een goede schrijver blijkt die Williams te zijn. Stoner is goed, maar Butcher’s Crossing is beter.”

Butcher’s Crossing draait om vier mannen die de wilde natuur van de VS intrekken, op zoek naar een mythische vallei die vol zit met bizons. De mannen willen de dierenhuiden meenemen en voor een hoge prijs verkopen. De vallei wordt gevonden en de slachtpartij kan beginnen. Miller, de ervaren jager, legt aan het broekie Will uit hoe dat in z’n werk gaat:

“‘Kijk goed hoe ik het doe, jongen. Je richt op een plek vlak achter het schouderblad, en ongeveer twee derde onder de bovenkant van de bult. (…) Hou die grote stier in de gaten, die met al die littekens. Zijn huid is geen reet waard, maar zo te zien is dat de leider. Je moet altijd de leider van een kudde zien te vinden en die als eerste neerschieten. Zonder leider zijn ze niet geneigd weg te rennen.’”

In een gesprek met Nieuwsuur vertelde de weduwe van Williams over de geschiedenis die waarschijnlijk aan de basis ligt van de slachtpartij die mannen onder de bizons aanrichten: Williams’ tijd als soldaat in Tweede Wereldoorlog.

Albert Camus: De pest (1947)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.40.58
De kuststad Oran is volgens de verteller lelijk. En het is er vaak ook nog eens loeiheet. Het is in wezen een onopvallende plaats.

“Wel bijzonder aan onze stad is dat sterven er ongemakkelijk kan zijn. ‘Problematisch’ is overigens niet het juiste woord, ‘ongemakkelijk’ komt er dichter bij. Ziek zijn is nooit prettig, maar er zijn steden en landen die je helpen als je ziek bent, waar je je in zekere zin kunt laten gaan. Een ziek heeft behoefte aan vriendelijkheid, heeft graag iets om op terug te vallen, dat spreekt vanzelf. Maar in Oran vraagt alles om een goede gezondheid: de grote klimaatwisselingen, de belangrijke zaken die er gedaan worden, de weinig inspirerende omgeving, de snel vallende schemering en de aard van het vermaak. Een zieke voelt zich hier erg alleen. Om nog maar te zwijgen van de stervende, die in de val is gelopen achter honderden muren die knetteren van de hitte, terwijl op hetzelfde moment een hele bevolking, door de telefoon en in de café’s, palavert over wissels, disconto en cognossementen. Het zal duidelijk zijn hoe ongemakkelijk zelfs een moderne dood hier kan zijn, in zo’n ongevoelige omgeving. (vert. Jan Pieter van der Sterre, 1992,2004)”

En dat is nu net waar de bewoners van Oran niet aan ontkomen. Er zal een pestepidemie uitbreken, die iedereen dwingt om een houding in te nemen tegenover de naderende dood. De epidemie wordt verspreid door ratten, die ziek uit leidingen en holen komen kruipen.

“Maar de volgende dagen verslechterde de situatie zienderogen. Het aantal vergaarde knaagdieren steeg en elke dag was de oogst overvloediger. Vanaf de vierde dag begonnen de ratten collectief uit hun holen te komen om in groepen te sterven. In lange wankelende rijen kwamen ze uit nissen, souterains, kelders en rioleringen op het daglicht af, om zich daar om te draaien en te sterven in de nabijheid van de mensen. ’s Nachts was in gangen en steegjes duidelijk het zachte gepiep van hun doodsstrijd te horen. ’s Ochtends lagen ze in de voorsteden gewoon in de straatgoten, met een bloemetje van bloed op hun spitse snuit, sommige opgezwollen en in staat van ontbinding, andere stijf en met hun snor nog omhoog.”

Richard Adams: Watership Down (1972)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.41.26
De jeugd van velen zal heftig verstoord zijn na het bekijken van Watership Down, de film uit 1978 van Martin Rosen over een groep op drift geraakte konijnen.

Rosen beaseerde zijn film op een boek van Richard Adams dat zes jaar daarvoor was verschenen. Hierin heeft Fiver, een van de konijnen, een naar voorgevoel over de toekomst, waarna hij samen met een paar anderen besluit ergens anders te gaan wonen. Later, als zich nog een konijn uit de oude kolonie bij de groep voegt, blijkt Fivers voorgevoel juist te zijn geweest, want de oude kolonie is door mensen vergast omdat ze in het gebied huizen wilden bouwen.

George Orwell: Animal Farm (1945) en 1984 (1949)

Schermafbeelding 2015-07-30 om 13.42.16
Wie in zijn hoofd de optelsom ‘dieren’ en ‘literatuur’ maakt, komt vermoedelijk uit bij Animal Farm van George Orwell. Nu is deze dierenfabel zeker niet achterhaald, maar misschien is het interessanter om een ander boek van Orwell voor deze rubriek te belichten, namelijk 1984. Want ook hierin is een belangrijke rol weggelegd voor het dier, en dan in het bijzonder de rat.
Aanbeland in het Ministry of Love, of beter: vastgehouden in het Ministry of Love, wordt Winston Smith naar Room 101 geleid, een martelkamer. Wat bevindt zich daarin? O’Brien, een lid van de Gedachtenpolitie, geeft antwoord:

“You asked me once, what was in Room 101. I told you that you knew the answer already. Everyone knows it. The thing that is in Room 101 is the worst thing in the world.”

De “worst thing in the world” blijkt een kooi met ratten te zijn die over Smiths hoofd wordt geplaatst. Het weet het verschrikkelijke vooruitzicht van de ratten die zijn hoofd kapot knagen af te wenden door zijn geliefde Julia te verraden.