Column

Je wilt beleefd zijn, en je wilt ook doorwerken. Maar hoe dan?

Pieter van Os werkt als zzp’er in Warschau. Deze zomer doet hij wekelijks verslag van het thuiswerken.

Een vriendin van me, zzp’er, klaagt dat ze de hele dag door koffie drinkt. Ze is vrij om van opdrachtgever te wisselen en ze mag haar eigen werktijden indelen, allemaal heel mooi, maar ze blijft natuurlijk slaaf van haar emoties en, om het minder bombastisch te zeggen, ze blijft dus ook gehoorzaam aan bijgebrachte noties van beleefdheid.

Gevolg: ze drinkt koffie met de mannen die haar kelder verbouwen (komen al weken dagelijks langs), met de schoonmaakster (wekelijks), de ramenwasser (tweewekelijks), de man van de kabelmaatschappij die verantwoordelijk is voor haar ultrasnelle wifiverbinding (te vaak over de vloer).

Ik begrijp de vriendin. Kom maar eens af van gewone gebaren van vriendelijkheid om tijd uit te sparen. Wel, misschien is dat niet eens zo moeilijk, maar de prijs voor lomp gedrag is hoog.

Dat geldt al helemaal binnen relatie of huwelijk. En dus neem je huishoudelijke taken over van je echtgeno(o)t(e) die wel in loondienst werkt. Ook beaam je de terloopse opmerking dat jij overdag wel even naar de apotheek kunt, eerst alleen voor medicijnen van de kinderen, daarna ook van de geliefde zelf. Als vanzelf volgen stomerij, doe-het-zelfwinkel, cadeauwinkel, consultatiebureau, enzovoorts.

In theorie heeft de wederhelft natuurlijk gelijk. In loondienst was je dagelijks minstens een uur reistijd kwijt. Daarin kan een mens makkelijk die paar extra vuilniszakken buiten zetten, schoenveters kopen of zonnebrand halen voor de komende vakantie. Maar in praktijk stemt het tot ergernis. Waarom ik?

Een mens gaat dan brommen, in zichzelf. Met verstrekkende gevolgen. Zoals Jan Arends (1924-1975) dichtte: ‘Een / kleine barst / wordt / een scheur. / Een / scheur / wordt / een kloof. / En zo / staat de mens / alleen.’ (Uit Nagelaten gedichten, 1975)

De vriendin: „Grote woorden als eerlijk en rechtvaardig schuw ik niet in discussies met mijn man over wissewasjes.” Ik herken het wel. Op een dag, slenterend in een boekhandel, genietend van de vrijheid die ik sinds mijn studententijd niet meer had gekend, merkte ik dat ik in mijn hoofd onafgebroken bezig was een vervelende, onaangename discussie met mijn echtgenote te voeren over de vele taakjes die mij sinds het zzp-bestaan waren toebedeeld.

Ik heb vrij lang over het hulpwerkwoord in de vorige zin nagedacht, ‘waren’. Het wijst op een passiviteit die niet helemaal eerlijk is: zelf riep ik meestal als eerste dat ik het ‘wel even’ zou doen.

En nogmaals: het gaat hier om ‘gevoelstemperatuur’ geen gerapporteerde graden Celsius. In redelijkheid probeer ik niet te ver af te zakken in dit soort ‘gevoelens’; op een dag ben je als zo’n huismoeder die woedend op internetfora tekeergaat tegen werkende moeders. In al hun vrije tijd tikken ze woedend dat huismoeder zijn ‘pas echt heel zwaar’ is.

Je bent in zwaar weer als je zoiets gaat geloven. Denk ik. Zelfbedrog kan een deugd zijn, maar zelfkennis, mits opgediend in gepaste porties, is sympathieker.

Ik besefte dat goed toen een Poolse meubelmaker op mijn studeerkamer een houten kast timmerde. De vijf zat in de klok en dus eiste een notie van beleefdheid (ik kom er niet vanaf) dat ik een biertje aanbood. De Pool keek aangenaam verrast op mijn voorstel, om plotseling van gelaatsuitdrukking te veranderen. Op neutrale toon zei hij: „Nee, ik houd niet van één biertje. Wel van vijf biertjes. Maar dit lijkt me niet het juiste moment.”

Zwijgend draaide hij zich om, ging door met zagen, meten en timmeren. Twee uur later verliet hij het huis, broodnuchter. Baas én slaaf. En meester over zijn eigen slavernij. Kortom, een voorbeeld-zzp’er.