Niet altijd zo leuk als het klinkt

Lekker in het buitenland gaan wonen voor een toffe baan. Het is voor veel mensen een droom. Voor meereizende partners en kinderen is dat lang niet altijd gemakkelijk. Hoe maak je als gezin het beste van de verhuizing?

Illustratie Veronique de Jong Illustratie Veronique de Jong

Toen Tessa Jansen (37) vier jaar geleden Amsterdam verruilde voor New York omdat haar man een baan had gekregen bij een groot, in kanker gespecialiseerd ziekenhuis, zag ze het helemaal zitten om samen expat te zijn. Ze zat meteen vol adrenaline toen hij op een dag thuiskwam met de mededeling dat hij aan de slag kon in de Verenigde Staten. Natúúrlijk ging ze mee, wat kon er misgaan?

Het ziekenhuis regelde een appartement in hartje Manhattan, manlief kreeg maandelijks een fijn bedrag bijgeschreven en zij kon onder zijn vleugels mee richting avontuur. Het stel had (nog) geen kinderen en niets hield ze eigenlijk in Nederland.

Maar eenmaal aangekomen in de Verenigde Staten voelde dat toch anders.

Jansen had de oversteek onderschat. Want op de bank in dat fraaie appartement zat ze alleen, haar man Stefan was tot ’s avonds laat op pad. Niets voor haar; ze is communicatieadviseur en is graag onder de mensen, zegt ze. En ook over de achterblijvers – ouders, vrienden – voelde ze zich rot. Ze kreeg het gevoel dat ze hen in de steek had gelaten. „Ik voelde me schuldig en ik miste ze”, zegt ze aan de telefoon.

Niet iedereen is ervoor gemaakt

Op papier is het een begeerlijk bestaan, expat zijn, want heeft niet iedereen een kant in zich die zo nu en dan zachtjes fluistert hoe heerlijk het zou zijn om met het hele gezin het vliegtuig te pakken en niet te weten wanneer terug te keren?

Toch is lang niet iedereen daarvoor gemaakt, zegt Douglas W. Ota, auteur van het boek Safe Passage, How mobility affects people and what international schools should do about it. De Amerikaanse psycholoog kwam als twintiger naar Nederland, na een studie aan de Princeton University, en maakte als expat de Grote Overstap naar het onbekende.

Om als expat te kunnen aarden in je nieuwe omgeving, of het nou ver weg is of dichtbij, heb je bepaalde eigenschappen nodig. Er is een soort succesformule, ontdekte Ota in zijn jarenlange onderzoek naar de gevolgen van mobiliteit. Ota: „Idealiter ben je als expat assertief en extravert, want je wilt in contact komen en blijven met vreemden, een nieuw thuis opbouwen. Je staat open voor nieuwe ervaringen, je bent sociaal onderlegd.” Maar ook: „Je kunt goed met negatieve emoties omgaan, zowel die van jezelf als die van je partner en je kinderen.”

En over die negatieve emoties moet je ook goed kunnen praten, zegt Ota. Dat is belangrijk voor de rest van het gezin. De gevoelens van heimwee en schuldgevoel, zoals ook Tessa die voelde, moeten bespreekbaar worden, vindt hij. „We zijn er niet voor gemaakt om lang stil te staan bij negatieve emoties. Het moet leuk zijn in het buitenland, mooi en avontuurlijk. Je moet blij zijn dat je de kans krijgt. Maar in feite komt het hierop neer: als je naar het buitenland vertrekt, staat dat gelijk aan het verlies van een dierbaar persoon. En omdat we dat allemaal onvoldoende onderkennen, komt de klap keihard aan.”

Belangrijk: mensen leren kennen

Stap één is dus onderkennen dat het moeilijk kan zijn om met een expat mee te verhuizen. Maar wat kun je dóén?

Tessa Jansen bedacht dat het haar zou kunnen helpen als ze zelf ook aan de slag ging, en dus zocht ze zo snel mogelijk vrijwilligerswerk in de buurt, wat haar betreft de gouden tip voor alle expats die meegaan met hun werkende partner. Daar kan van alles uitrollen.

Jansen deed dat bij het New York Film Festival – in Amsterdam had ze ooit iets soortgelijks gedaan – en dat leverde binnen een paar weken een vaste baan op. Een Nederlandse partner van een groot advocatenkantoor zocht toevallig een executive assistant en binnen no time kon ze de stille bank verruilen voor een prettige bureaustoel en het geroezemoes van collega’s, die al snel vrienden werden.

En dat geldt ook voor kinderen

Uiteindelijk kun je je meestal pas echt ergens thuis voelen als je je eigen sociale contacten, je eigen vrienden, hebt. En dat geldt natuurlijk ook voor kinderen.

Remco Wagenaar (13) groeide op in de periode dat zijn vader in Nederland werkte. Toen hij acht was, verhuisde het gezin naar Luzern, Zwitserland. „Ik vond het vreselijk”, zegt hij vanuit Shanghai, waar hij sinds januari woont na een tussenperiode van tweeënhalf jaar in Nederland. „Ik moest mijn vriendjes achterlaten en ik sprak de taal helemaal niet. Maar na een tijdje wen je en dan is het niet meer zo erg. Hier in China is het nu veel lastiger. Alles is hier anders; de taal, het eten.”

Voor meereizende kinderen kan emigreren een veel grotere horde zijn dan voor partners, zeker als ze niet langer op hun ouders willen bouwen: vanaf een jaar of acht. Je zoekt dan naar common ground bij vriendjes, bij klasgenoten en weer wat later bij collega’s.

Maar als die belangrijke sociale contacten steeds wisselen omdat je ouders keer op keer elders worden gestationeerd, dan lukt dat niet. Expatkinderen zie je daarom vaak later dan hun leeftijdgenoten echt volwassen worden: als er rust in de tent is en ze zelf een bestaan kunnen gaan opbouwen.

Zeker het eerste jaar na de verhuizing is een expatgezin erg op zichzelf aangewezen, zoals de familie van Floortje Deckers (27), die via Dublin, Milaan, Zwitserland en Blaricum voor langere tijd in São Paulo terechtkwam. Pa en ma pakten er voor een aanstaand vertrek de wereldkaart bij en lieten hun vier kinderen zien waar ze naar zouden afreizen. Het zou spannend worden, maar ze hadden elkaar, dus het zou goed komen. Met niemand anders kreeg ze zo’n hechte band. En die band koestert ze nog altijd, zegt ze.

Ook voor kinderen geldt: wie assertief en extravert is, kan sneller contact maken, waar ter wereld ze ook zijn. Dat maakt ze een stuk minder kwetsbaar dan kinderen die in hun schulp kruipen en weigeren de betreffende taal te leren.

Communiceren blijft hoe dan ook het belangrijkst, zegt psycholoog Ota. Thuis, maar ook op de school van de kinderen, waar nu zelden tijd wordt ingebouwd voor psychische begeleiding van expatkinderen. Als ouder kun je zoiets, al is het maar een uurtje per week of per maand, op scholen initiëren. Het gaat erom dat je met kinderen en hun docenten bespreekbaar maakt wat er moeilijk kan zijn aan verhuizen naar het buitenland.

Wat helpt: de meeste kinderen zullen naar de internationale school gaan, met andere kinderen van expats. Daar leren ze dan niet alleen in een mum van tijd de taal, maar daar barst het ook van de lotgenoten.

En ook terugkeren is niet makkelijk

En niet alleen vertrekken is lastig. Terugkeren naar Nederland na een periode als expat kan soortgelijke problemen veroorzaken.

Remco’s moeder Jo-Anna Wagenaar (43) weet dat sinds ze met haar echtgenoot en twee kinderen is teruggekeerd uit Zwitserland. „Als expat verander je ingrijpend en maak je een ontwikkeling door, en thuis veranderen ze niet met je mee. Hier word je geacht weer gewoon mee te draaien, terwijl je bij aankomst in het buitenland overal bij geholpen wordt. In ons geval bij het zoeken naar een huis door het bedrijf van mijn man bijvoorbeeld. Maar terug in Nederland moesten we dat zelf doen.”

Tegelijkertijd miste Wagenaar Zwitserland; ze was zich er na een paar jaar thuis gaan voelen, en toen moest ze weer weg. In Nederland kreeg ze het al gauw moeilijk, zo moeilijk dat ze haar huis niet meer uitkwam en een personal coach moest inschakelen om er weer bovenop te komen.

Douglas Ota herkent dat proces van een moeizame thuiskomst: „De mensen die je kende hebben geen oog voor wat je in het buitenland hebt meegemaakt. Dat kunnen ze ook niet hebben, want ze waren er niet bij toen jij je ontwikkelde. Je voelt je ontheemd. Alles wat je hebt opgebouwd, wordt eenmaal terug niet als zodanig erkend. En dat is opnieuw een enorme klap.”

Haar moeilijke start in New York heeft Tessa Jansen in ieder geval niet bang gemaakt. Onlangs kwam haar man Stefan thuis van een dag hard werken in het kankercentrum in Manhattan. Vlakbij San Francisco was er meer geld voor zijn kankeronderzoek beschikbaar, zei hij. Of ze daar dan heen zouden kunnen? Tessa twijfelde geen moment – ook niet nu kleine Zoë van negen maanden er inmiddels is. Ze geeft voor de tweede keer haar baan en haar vertrouwde leventje op, en gaat haar man achterna. In San Francisco moet ze nog maar afwachten of die truc met het vrijwilligerswerk nog eens werkt. Maar, zegt ze, ze weet nu tenminste waar ze aan begint.