Kinderen in psychische nood worden soms geweigerd

De crisisopvang voor kinderen in acute psychische nood kan de vraag niet altijd aan. Er zijn minder bedden en personeel. Ook is er onvrede over de Jeugdwet. Wat betekent dit voor de kinderen?

Meestal is het in de zomervakantie rustig op de crisisopvang voor jeugd- en kinderpsychiatrie van Curium-LUMC. Maar dit jaar zijn de zeven bedden grotendeels bezet. Het gaat om kinderen in acute nood: suïcidaal, anorexia, ernstige gedragsstoornissen. Curium kan de vraag naar opvang, diagnostiek en behandeling soms niet aan. Het heeft afgelopen weekeinde een kind uit een andere regio moeten weigeren, omdat het dan niet beschikbaar was geweest voor een plaatsing uit het eigen gebied.

„De situatie is zorgelijk en vraagt om reflectie over de oorzaken”, zegt directeur Robert Vermeiren, tevens hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie. En niet alleen bij Curium. Want de meeste instellingen voor crisisopvang voor jongeren hebben dit jaar te maken met meer meldingen en plaatsingen, staat in een rapportage van GGZ Nederland uit juni. De brancheorganisatie noemt de toename zonder precieze cijfers „nog onvoldoende goed te duiden”, maar ziet wel „regionale verschillen”.

Zo heeft Ward Vijgen, bestuurder van Rubicon, in Noord- en Midden-Limburg, geen zorgen. De instelling heeft negen bedden voor crisisopvang, en nog eens vijf crisisplaatsen in de pleegzorg. Alle zijn gevuld, maar dat is als vanouds. „Mocht het nodig zijn, dan kunnen we nog wat regelen, bijvoorbeeld met een andere regio. Flexibiliteit helpt je meer dan paniek.”

Bij de Dordtse instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie Yulius is de situatie anders. De crisisopvang helpt daar normaal tussen de 200 en 300 kinderen per jaar, zegt directeur Ronald Buijs, nu zijn dat er tientallen extra. Hij vreest in het najaar zijn budget te overschrijden.

Buijs meldde dat bij de Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid, waarin 17 gemeenten de jeugdhulp in de regio coördineren. Maar de serviceorganisatie vreest het budget van 107 miljoen euro voor jeugdhulp dit jaar te overschrijden en wil de contracten niet ophogen, staat in een brief aan de instellingen. Wie ‘overproduceert', wordt gevraagd te komen praten over een opnamestop. „Maar dat kan echt niet bij dit type zorg”, zegt Buijs. „Het gaat hier om kinderen met zware psychiatrische klachten in acute situaties. Die kun je niet weigeren.”

Het komt mede door de Jeugdwet

Waarom is de crisisopvang voller dan vorig jaar? Vanuit de instellingen klinkt de onvrede over de snelle invoering van de Jeugdwet, waarbij gemeenten sinds 1 januari van dit jaar alle zorg voor kwetsbare kinderen op zich hebben genomen. Het merendeel van de gemeenten werkt met wijkteams, die dicht bij kind en ouder staan, zicht hebben op het complete zorgaanbod en zorg dragen voor een integrale aanpak.

Vermeiren vraagt zich af of wijkteams overal even competent zijn om met complexe problemen om te gaan. „Soms zitten er veel specialisten in, maar op andere plekken alleen generalisten.” Ook Ido Weijers, hoogleraar jeugdbescherming, mist kennis van jeugdzorg in de wijkteams. „Hun bedoelingen zijn goed, maar de mensen op wijkniveau zijn vaak niet in staat flinke zorg te onderscheiden van lichte.”

Dertig procent minder bedden

Een tweede oorzaak is de financiële neergang in de jeugd-ggz: minder bedden, minder personeel. „Al voor de transitie is dit ingezet”, zegt Vermeiren. „De voorbije vijf jaar hebben we 30 procent minder bedden gekregen. Dat betekent minder en kortere opnames.” Buijs: „De afgelopen drie jaar is het aantal bedden gehalveerd. Dat is beleid: we hebben liever dat kinderen zoveel mogelijk thuis worden geholpen, omdat dat beter is. Maar als je bedden afbouwt, heb je automatisch meer kans op crises.”

Worden nu al kinderen te snel naar huis gestuurd uit krapte in de opvang? Vermeiren: „Ik ga ervan uit dat naar huis sturen een klinische inschatting blijft. De stap naar huis kan ook een oplossing zijn. Maar het moet wel kunnen. Er moet voldoende geschikte ambulante hulp voor in de plaats komen.”

Hoogleraar Weijers pleit ervoor dat over zorg zoals crisisopvang voor kinderen op een ander niveau dan gemeentelijk moet worden beslist. „Nu is het per plaats afhankelijk welke diagnose en zorg een kind krijgt. Deze zorg is relatief duur en zal door kleine gemeenten minder snel worden ingekocht. Dat kan niet in deze acute gevallen.”

De signalen zijn bekend bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), dat gemeenten helpt bij de transitie van de jeugdhulp. Het hield recent een belronde langs gemeenten en aanbieders over de stand van zaken in de jeugdhulp. Daarbij werd vastgesteld: de specialistische kennis in de eerste lijn is nog erg in opbouw, net als de werkwijze van de wijkteams. Ook hebben gemeenten moeite met de mate waarin ze zorg moeten inkopen.

Er zijn te weinig cijfers

Gemeenten worstelen bovendien met het gebrek aan cijfers over het gebruik van jeugdhulp in het nieuwe stelsel, zegt Bas Wijnen, programmaleider transformatie bij het NJi. Hij verwacht meer helderheid als het CBS deze cijfers over het eerste kwartaal van dit jaar komende vrijdag bekendmaakt.

Tot die tijd vindt Wijnen het te vroeg oorzaken vast te stellen voor de volle crisisopvang. „De transitie heeft zeker invloed. Maar de meeste verwijzingen naar de jeugd-ggz verlopen als vanouds via de huisarts, niet via de wijkteams. Wij hebben bij de belronde gemerkt dat voor gemeenten het glas halfvol is, en dat ze accepteren dat het stelsel in opbouw is. De aanbieders zijn veel kritischer, hebben meer twijfel over de ingeslagen weg.”