Dagkalender van de Wereldliteratuur: de erotiek van het ongewone

Junichiro Tanizaki in 1913 (Foto Wikicommons)

Morgen is het vijftig jaar geleden dat de grootste Japanse schrijver die nooit de Nobelprijs kreeg, overleed. Hij begon zijn carrière onder invloed van westerse schrijvers, richtte zich in de jaren twintig op de klassieke Japanse literatuur en schreef op latere leeftijd vooral over oude mannen en hun seksuele obsessies.

De (fatale) aantrekkingskracht van het Westen is een van de grote thema’s van de moderne Japanse literatuur, en niemand heeft die mooier beschreven dan Junichiro Tanizaki in De liefde van een dwaas (‘Naomi’, 1924), over een sukkelige ingenieur en een verwesterste femme fatale. Als student aan de universiteit van Tokio begon hij zijn schrijversloopbaan onder invloed van de verhalen van Poe en Wilde; zijn succesrijke novelle De tatoeëerder (1910), over een vrouw die van karakter verandert nadat ze een spin op haar rug heeft laten tatoeëren, was zelfs een vrije variatie op Wildes The Picture of Dorian Gray. Maar na de grote aardbeving van Tokio (1923) en zijn noodgedwongen verhuizing naar het traditionele Osaka, oriënteerde Tanizaki zich op de klassieke Japanse literatuur, en vooral op Het verhaal van Genji van de 11de-eeuwse hofdame Murasaki.

Deze ‘eerste roman uit de wereldliteratuur’, die gedrenkt is in nostalgie (of liever: mono no aware, ‘de droefheid der dingen’), was de inspiratiebron voor De liefde van een dwaas en Tanizaki’s beroemde familieroman Stille sneeuwval (1943-1948). In veelgeprezen late romans als De sleutel (1956) en Dagboek van een oude dwaas (1961) verlegde Tanizaki zijn aandacht naar oude mannen en hun seksuele obsessies; zijn beschrijving van fysieke hartstocht en de erotiek van het ongewone is zelden geëvenaard.

Voor meer afleveringen van deze Dagkalender van de Wereldliteratuur, zie The Global Reader.

Pieter Steinz zit op Twitter.