Atjeh is paradijs voor de Rohingya

De Rohingya zijn stateloos, worden vervolgd en opgejaagd. Na maanden op zee nam Indonesië er duizenden op. Volgend jaar moeten ze weer weg.

Rohingya en Bengalen wonen al maanden in opvangloodsen in Langsa. Gedoneerde dekens, kussens en kleding liggen hoog opgetast. Foto’s Romeo Gacad/AFP, Salih Zeki Fazlioglu/Getty

Vrijheid betekent voor Rolhius (24) dat hij huilend door vier mannen op zijn knieën wordt gedrukt. Op het dorre grasveldje van het opvangkamp in Langsa, een kuststadje in de Indonesische provincie Atjeh, zet een vijfde man een botte schaar in zijn zwarte haar.

Bij een medische controle op een zonnige dinsdagochtend raakte Rolhius de borst aan van een Indonesische verpleegster. De Rohingya-imam met wie Rolhius op de vluchtelingenboot had gezeten, had het zelf gezien. De imam wist wat hem te doen stond: Rolhius straffen volgens de shari’a.

Maandenlang zwierf Rolhius op een overvol schip over de Golf van Bengalen en de Andamanse Zee. Uitgeput, uitgemergeld en uitgedroogd werd hij samen met honderden anderen op de boot gered door Indonesische vissers die hem aan wal brachten. Eindelijk was hij aan land na zijn vertrek uit Birma, het boeddhistische land waar islamitische Rohingya als hij worden onderdrukt, opgejaagd en opgesloten in detentiekampen (zie kader). Eindelijk was Rolhius ergens waar hij als moslim zijn geloof kan belijden. Voor het eerst in jaren was hij een beetje vrij.

De imam wilde zweepslagen als straf, maar riep voor de zekerheid de lokale geloofspolitie erbij. De Rohingya zijn tenslotte te gast in Indonesië. Een uitgemergelde asielzoeker geselen leek de politiecommandant geen slim plan. Samen kwamen ze uit op een compromis: kaalscheren.

Terwijl de lijfstraf wordt voltrokken, ontstaat ophef. Rohingya-mannen die beklagen zich en worden boos. Aan de andere kant van het veldje verzamelen zich tientallen Bengalen. Zij zijn ook op boten gevlucht, niet omdat ze opgejaagd werden, maar omdat ze meer geld willen verdienen als visser in Thailand of op palmolieplantages in Maleisië. De Bengalen zijn groter, sterker en assertiever. Ze lachen en jouwen Rolhius uit, wat de Rohingya-mannen alleen maar bozer maakt. Pas als de inmiddels kale Rolhius een loods binnenvlucht, luwt het opstootje. De imam spreekt enkel Rohingya en Arabisch. In de paar woorden Engels die hij beheerst, zegt hij: „Finally. We live. Islam.

Rolhius is een van de zeven- tot achtduizend Rohingya en Bengalen die een paar maanden geleden op drift raakten toen het Thaise leger besloot de junglekampen waar mensensmokkelaars de vluchtelingen onderbrachten op te rollen. Pas toen bleek dat ze reddeloos op zee gevangenzaten, besloten Maleisië en Indonesië vluchtelingen toe te laten. Sindsdien zitten ze verspreid over tientallen kampen in de twee landen, zoals hier in Langsa.

Doodgeschoten

Van een afstandje bekijkt Hassan (17), een knappe jongen met een vlasbaardje het schouwspel. Hij heeft het niet op de Bengalen. „Toen er geen eten meer was op de boot, braken er vechtpartijen uit. De Bengalen gooiden Rohingya overboord. De meesten konden niet zwemmen. Ik denk dat er tientallen, zo niet honderd, zijn verdronken”, zegt hij. Zijn lichte ogen, achter lange krullende wenkbrauwen, tonen weinig emotie. „Als wij aan de kapitein vroegen of we meer eten konden krijgen, schoot hij mensen dood. Ik heb zelf gezien hoe vier mensen werden doodgeschoten.” Zijn verhaal is onmogelijk te verifiëren, maar zowel Rohingya als Bengalen in het kamp zeggen dat er bij vechtpartijen aan boord doden vielen. Volgens de Verenigde Naties zijn de voorbije maanden ten minste duizend vluchtelingen op zee verdronken, vermoord of verhongerd.

Hassan laat zien waar hij nu woont. De loods is bloedheet, het ruikt er zuur en ranzig naar etensresten en ongewassen lichamen. Langs de randen van de loods liggen dekens, kussens, kleding en voedsel in blik twee meter hoog opgestapeld. Allemaal donaties van Indonesiërs en hulporganisaties. Hassan loopt langs een handjevol zwangere Rohingya-vrouwen. Ze krijgen een kraampakket van acht vrouwen van een islamitische hulporganisatie uit Jakarta, gekleed in smetteloze batikjurken en hoofddoeken vastgezet met pinnen met glimmende edelsteentjes.

Een vrouw, acht maanden zwanger en hooguit veertig kilo, pakt het pakket met luiers, billendoekjes en shampoo uit. Nog voor ze klaar is wordt ze door de Indonesische vrouwen omhelsd voor een foto. De ingevlogen vrijwilligers in het kamp zijn gul, maar willen iedere goede daad wel met een grote camera vastleggen.

Voorbij de schotten van bordkarton die de vrouwen van de mannen scheiden komt Hassan bij een kleedje waar drie mannen over elkaar heen slapen. Dit is al een maand zijn thuis. „Het maakt mij niet uit. Ik vind Indonesië geweldig”, zegt hij. Hassan komt uit een gegoede Rohingya-familie. Zijn vader is dorpsarts en kon het zich veroorloven zijn zoon naar school te sturen, waar hij Engels leerde. Hassan en zijn familie werden uit hun dorp in Birma gedreven toen het geweld tussen boeddhisten en moslims in Birma drie jaar geleden oplaaide. Ze vluchtten naar een Rohingya-kamp op drie uur rijden, net over de grens met Bangladesh. „Ook daar werden we gediscrimineerd”, zegt Hassan. Zo werd hij tijdens een bezoek aan de markt van Cox’s Bazar, de grootste stad in de buurt, in elkaar geslagen. „Wij hadden geen identiteitskaarten. Ze zeiden: ‘Rot op terug naar Birma.’ Maar in Birma hebben wij ook geen rechten. Daar willen ze dat wij naar Bangladesh gaan.”

Concentratiekampen

Van alle vluchtelingengroepen in de wereld behoren de Rohingya tot de meest kansloze. Ze zijn stateloos, hun opvangkampen zijn door ontwikkelingswerkers vergeleken met concentratiekampen, hun vervolging vertoont volgens onderzoekers van de wetenschappelijke afdeling van het Holocaust Memorial Museum in Washington de trekken van een dreigende genocide.

Daarom verkocht Hassans moeder op een dag het familiegoud. Ze betaalde ruim 1.400 euro aan de man die in het dorp passagiers ronselde. Hassan werd naar een groot schip gebracht. Daar wachtten anderen soms al maanden aan boord tot de boot vol was. „Toen belde de ronselaar mijn ouders. Als ze niet nog meer geld gaven, zou ik worden vermoord”, zegt Hassan. Zijn ouders betaalden.

Na drie maanden op zee kwam Thailand in zicht. Een kleine speedboot nam honderd vluchtelingen van het krakkemikkige houten schip over en bracht ze aan land. De rubberboot kwam nog een paar keer terug, maar Hassan mocht niet mee. De laatste keer kwam de speedboot in het holst van de nacht. In plaats van vluchtelingen mee te nemen, stapten de kapitein en de bemanning op.

De vluchtelingen kregen de motor aan de praat, maar na twee dagen gaf die alsnog de geest. Het schip dobberde richting Indonesië. De Indonesische marine sleepte de boot terug naar internationale wateren. Daarna dreef het schip naar Maleisië. De Maleisische kustwacht duwde het schip weer terug. Toen sloegen honger en als gevolg vechtpartijen toe.

De Boodschap van God

Visser Karimuddin wist niet wat hij zag. Zijn kotter, de Boodschap van God, was al twee dagen op zoek naar tonijn, maar stuitte op een stuurloos schip. „We wisten niet wie ze waren en waarom ze in de problemen zaten, maar we moesten helpen. Drenkelingen red je, dat is het enige menselijke wat je kunt doen”, zegt de 24-jarige scheepsmaat.

Nu staat Karimuddin op de kade tussen de loodsen waar de geredde Rohingya en Bengalen wonen, gescheiden van elkaar. „We vonden het gevaarlijk ze aan boord te nemen. Misschien zouden we zinken of zouden er vechtpartijen uitbreken. We hebben het toch gedaan. In de haven nam de kustwacht onze vergunning in beslag. Het was verboden bootvluchtelingen te helpen”, zegt Karimuddin.

Pas toen de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken Retno Marsudi op een crisistop in Kuala Lumpur toezegde duizenden Rohingya op te nemen, kreeg Karimuddin zijn papieren terug en bouwden timmerlui op een veldje achter de haven meer permanente barakken. Wie uit het centrum van provinciestadje Langsa langs de paalwoningen van de vissers in de mangroves naar het vluchtelingenkamp rijdt, ziet het meteen: de vissers zijn nauwelijks welvarender dan de vluchtelingen. De kinderen dragen dezelfde rafelige shirts. De gebitten zijn even schots en scheef. Toch zijn het deze omwonenden die verse mango’s en rundvlees leveren aan de Bengaalse kok die nu pittige en zure curry’s maakt die zowel Bengalen als Rohingya lekker vinden. Karimuddin heeft vrij genomen om als vrijwilliger te werken. „Deze mensen hebben nu hulp nodig. Je weet nooit wanneer de rollen omgekeerd zijn.”

Naar Afrika? Best

De Bengalen moeten snel weer vertrekken: zij hebben volgens Indonesië thuis niks te vrezen. De Rohingya mogen een jaar blijven. Een opluchting, maar het lost hun problemen niet op. In een hoek van de loods diept Shukitara (24) een foto van haar man op. Zij heeft hem drie jaar niet gezien. Hij ontvluchtte Birma eerder en vond werk op een vissersboot in de Maleisische havenstad Kuantan. Pas na twee jaar kon hij kort met Shukitara bellen om te zeggen dat hij nog leefde. Drie maanden geleden besloot ze met haar twee kinderen ook te vluchten.

Het liefst wil Shukitara naar haar man toe. Met een erkende nationaliteit en een paspoort, op hooguit een dag reizen met auto en vliegtuig. Voor de stateloze Shukitara is het onmogelijk. Ze hoopt ooit ergens haar man te zien. Waar? Geen idee.

Birma wil de Rohingya niet terug. In het kamp in Langsa gaat het gerucht dat Turkije hen wil herbergen. Gambia heeft aangeboden alle Rohingya op te nemen. Shukitara heeft nog nooit van Gambia gehoord. Ze weet niet waar het land ligt, maar dat maakt haar weinig uit. Naar Afrika? Best, vindt ze. „Zolang we maar een plek hebben waar mijn familie samen kan zijn.”