Hoe ik mijn moedertaal kwijtraakte

Duits kan een mooie taal zijn, schrijft auteur Alexander Münninghoff, wiens familiekroniek ‘De stamhouder’ is genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs en de ECI Literatuurprijs.

Illustratie Enkeling

Duits was mijn moedertaal, de taal waarin ik spreken leerde van mijn moeder, een Duits-Baltische. Haar Duits herinner ik me als een lieflijk zacht ruisen, vermengd met dromerige klinkerklanken. Maar ook haar lichaamswarmte, geborgenheid en haar ogen en lippen horen bij dat Duits. Onderdeel van het unieke bouwpakket waarmee iedereen die op aarde wordt gezet aan zijn identiteit gaat knutselen.

Het Duits van mijn vader, qua geest een Duits-Balt ondanks zijn Nederlandse nationaliteit, was wel authentiek maar van een geheel andere orde. Toen ik in april 1944 werd geboren in een kleine Poolse stad die alleen nog maar aan vluchten voor de aanstormende rode horden kon denken, was hij bezig om als SS’er het vege lijf te redden. Zijn Duits droop van cynisme en wanhoop, en later van verbittering.

Al in september 1944 werden mijn moeder en ik naar Nederland gehaald; in het grote huis van mijn grootouders in Voorburg zou ik tot mijn zesde blijven, de jaren die vormend zijn voor je taalbeheersing. Mijn Nederlandse grootvader was getrouwd met een Russisch-Baltische en dat betekende na de oorlog rondzwervende diaspora over de vloer.

Doorgaans was de eettafel met veertien stoelen vol bezet, familie en kennissen bleven rustig een maand of langer logeren. Omdat niet iedereen even vloeiend in het Russisch was, werd Duits de lingua franca, met Lets als exotisch extraatje in de achterzak. Mijn grootvader, die begreep dat de familie nooit meer naar Letland zou terugkeren, verordonneerde weliswaar dat er voortaan Nederlands gesproken moest worden, maar daar konden de van heinde en ver binnenwaaiende gasten zich uiteraard niet aan onderwerpen.

Niet lang na de oorlog gingen mijn vader en moeder uit elkaar. Tot mijn zevende bleef ik bij mijn moeder die in een pension in Den Haag was gaan werken en die, omdat ik inmiddels naar een lagere school in Den Haag ging, moeizaam Nederlands met me ging spreken. De laatste maanden dat ik bij haar verbleef , woonde ik in een Duits dorp vlak over de grens, waar zij bij haar Russische moeder was ingetrokken. Daar leerde ik, als lid van een jeugdbende, Aachener Platt, een gruwelijk Limburgs-Duits taaltje waar me geen woord van is bijgebleven.

Mijn grootvader zorgde ervoor, door me te laten ontvoeren, dat ik weer terug kwam naar Nederland en bij mijn vader en diens tweede vrouw, een Belgisch-Nederlandse, in Den Haag ging wonen. Over mijn moeder werd in onze familie met geen woord meer gesproken. Er brak een tijd van taalstabiliteit aan: thuis spraken we Nederlands en op het gymnasium werd het Duits teruggedrongen tot een taal die je passief diende te beheersen.

Eenmaal in Leiden gearriveerd om te gaan studeren besloot ik de band met mijn moeder te herstellen. Daartoe schreef ik haar, in het Nederlands, een brief waarin ik de balans van mijn leven opmaakte – ik had haar twaalf jaar niet gezien – en haar voorstelde weer in contact met mij te komen. Na enkele maanden wachten op een antwoord besloot ik nogmaals te schrijven, maar ditmaal in het Duits. Per slot van rekening mijn moedertaal. Al schrijvend merkte ik dat ik niet meer in staat was mijn gevoelens op een directe manier in het Duits te vertolken. Wat er op papier kwam was een kil en onpersoonlijk opstelletje en ik moest uiteindelijk een native speaker te hulp vragen om een en ander met de juiste emotionele lading te kunnen verwoorden.

Ik was, kortom, mijn moedertaal kwijtgeraakt en ik was daar heel bedroefd over. Op die tweede brief kwam overigens ook geen antwoord.