Werkelijkheid was nooit genoeg voor eigenzinnige Polet

Sybren Polet (1924-2015)

Schrijver, dichter, essayist

Een publiekslieveling was hij niet. Sybren Polet hield te veel van het experiment en koos zijn eigen weg in de literatuur.

Sybren Polet, 2008 Foto Keke Keukelaar

‘Alle dichten is dichten van beginners”, schreef Sybren Polet in zijn voorlaatste dichtbundel Donorwoorden (2010). Het zou kunnen gelden als het motto van al zijn dichtwerk. De dichter, schrijver van ‘Ander proza’, experimentalist en eenling Sybren Polet is vorige week zondag overleden. Dat zijn overlijden nu pas bekend is – door een rouwadvertentie in de Volkskrant – typeert de eigenzinnige auteur die Polet met name in de jaren 60 en 70 was, en ook de positie van de eenling die hij altijd bleef.

Polet kwam in 1924 in Kampen ter wereld in een streng gereformeerd milieu. De weerklank van dat geloof was terug te vinden in zijn debuut uit 1946 dat de titel Genesis kreeg. Polet schreef deze dichtbundel nog onder zijn eigenlijke naam Sybe Minnema.

Zijn debuut als de schrijver Sybren Polet was in 1949, in het spraakmakende tijdschrift Podium, een tijdschrift waarvan hij van 1952 tot 1965 redacteur was. Terwijl de Vijftigers furore maakten en Polet ook vaak als deel van die generatie wordt gezien, staat zijn werk er los van. Doordat hij een onpoëtische toon had, werd hij ook vergeleken met die andere poëzievernieuwers – de Zestigers. Maar Polet zag dat zelf anders. Hoewel hij in de jaren 60 en 70 experimenteerde met taal en vorm en hij ideeën formuleerde waarin de realiteit de literaire norm is, haalde hij anders dan de Barbarber groep zijn materiaal niet uit de werkelijkheid. „Zonder commentaar materiaal ontlenen aan de werkelijkheid is niet interessant genoeg”, meende hij zelf. Polet is niet voor niets de eerste die een bloemlezing met sciencefiction samenstelde, zoals De stenen bloedzuiger (1957). Die interesse voor sf bleef.

Omdat hij niet bij een groep wilde horen, kreeg Polet – ook al had hij een eigen anti-poëtische toon – weinig navolging. Ook niet met zijn proza, toen hij in 1961 debuteerde met Breekwater, het eerste boek uit een reeks rondom Lokien, die hij in 2007 afsloot met Bedenktijd. Polet hield toen op met proza schrijven omdat de koek op was, zoals hij in een interview in deze krant vertelde aan critica Janet Luis.

Door zijn dwarsheid, nieuwe woorden en gebrek aan vastomlijndheid werd Polet nooit een publiekslieveling. Alleen zijn roman Mannekino (1968), een ‘realistische fabel’, werd breed opgepikt. De eigengereidheid verklaart de vooral literair historische aandacht die er voor Polet is. Waar collega’s als Jan Elburg in 1963 zijn werk wegzetten als „humorloze plaatjesplakkerij” en Komrij het werk van Polet typeerde als „bijeengestolen collecties leestekens en zwakzinnige kreten”, wordt hij in literair historische kringen gezien als baanbrekend schrijver van ander proza en experimentele poëzie. In 2003 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre.

Polet zag op tegen de dood. Zelf zei hij hierover in deze krant: „Ik ben als schrijver gewend om de dingen zelf te bepalen. Ik los problemen en conflicten op in mijn boeken. Dat heeft ook iets te maken met mijn Kampense achtergrond. Als christengelovige raak je verslaafd aan het eeuwigheidsdenken. Geloven doe ik allang niet meer, maar die eeuwigheidsgedachte heb ik ondergebracht in mijn romans.”