Waarom het Griekse akkoord wél zal werken

De algemene overtuiging dat Griekenland en de EU voor een blijvende crisis staan

is een misvatting, vindt Anatole Kaletsky.

Nu de Griekse banken weer open zijn en de regering de afgesproken betalingen aan de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds heeft gedaan, is de vraag of de Griekse bijna-doodervaring het einde van de eurocrisis inluidt. Het gebruikelijke antwoord is een duidelijk nee. Volgens veel economen en politieke commentatoren was de jongste Griekse redding weinig meer dan een pijnstiller. De pijn zal korte tijd worden verdoofd, maar de diepgewortelde problemen van de euro zullen zich verspreiden, met een troosteloos vooruitzicht voor de gemeenschappelijke munt en de EU als geheel.

Maar dit gebruikelijke oordeel zal vermoedelijk onjuist blijken. Het akkoord tussen Griekenland en de Europese autoriteiten is goed voor beide partijen. Het zal niet zozeer het begin van een nieuwe fase in de eurocrisis inluiden, als wel het hoogtepunt blijken van een lange reeks politieke compromissen waarmee enkele van de ergste ontwerpfouten van de euro zijn gecorrigeerd en de voorwaarden voor een Europees economisch herstel zijn geschapen. Wie zich optimistisch over het Griekse akkoord uitspreekt, vergoelijkt daarmee niet de tergende arrogantie van de Griekse ex-minister van Financiën Varoufakis of de zinloze wraakzucht van de Duitse minister van Financiën Schäuble.

De argumenten uit de jaren negentig tegen de vorming van een Europese eenheidsmunt – en het gesjoemel waardoor Griekenland daaraan mocht deelnemen – gelden in theorie nog altijd. Maar dat wil niet zeggen dat het wenselijk of aanvaardbaar is om de euro op te geven. Het was een ramp voor Griekenland om tot de euro toe te treden, maar ‘een land kent altijd de nodige rampen’, zoals Adam Smith 250 jaar geleden opmerkte.

De grote verdienste van het kapitalisme is dat het op rampspoed inspeelt en zelfs kans ziet om er zijn voordeel mee te doen. Halverwege de negentiende eeuw waren de VS nog volkomen ongeschikt voor een gemeenschappelijke munt en een economische eenheidsstructuur, getuige de Amerikaanse Burgeroorlog, die evenzeer voortkwam uit spanningen over de gemeenschappelijke munt als uit morele afkeer van de slavernij.

Maar als eenwording eenmaal een feit is, dan overtreft de pijn om het politiek-economische bestel te ontmantelen meestal de ogenschijnlijke voordelen van een breuk. Dit lijkt het geval in Europa, ook volgens een duidelijke meerderheid van de kiezers in alle landen van de eurozone. Duitsland en Griekenland inbegrepen. De vraag is dan ook nooit geweest of de eurozone uit elkaar zou vallen, maar met welke politieke tournures, economische offers en juridische uitvluchten ze in stand zou worden gehouden. Het goede nieuws is dat Europa een aantal overtuigende antwoorden heeft.

Europa heeft zich zelfs ontworsteld aan dat wat je de ‘erfzonde’ van het project van de gemeenschappelijke munt in het Verdrag van Maastricht kunt noemen: het verbod op monetaire financiering van overheidstekorten door de ECB en het navenante verbod aan nationale overheden om elkaars schuldenlast onderling te ondersteunen. In feite heeft ECB-president Draghi beide klippen omzeild door zo’n enorm programma van kwantitatieve versoepeling te introduceren dat het de volledige tekorten van alle overheden in de eurozone zal dekken.

Bovendien hebben de Europese regeringen te laat ingezien wat het belangrijkste grondbeginsel van de openbare financiën is. Staatsschulden hoeven nooit te worden afgelost, mits ze in overleg kunnen worden verlengd of kunnen worden opgekocht met nieuw geschapen geld, uitgegeven door een geloofwaardige centrale bank. Maar dat kan alleen als steeds op tijd de rente wordt betaald en de onschendbaarheid daarvan altijd voorrang krijgt boven verkiezingsbeloften over pensioenen, lonen en overheidsuitgaven. Nu de regering van premier Alexis Tsipras de onvoorwaardelijke prioriteit van renteaflossing heeft moeten erkennen en kan gaan profiteren van onbeperkte monetaire steun van de ECB, zou Griekenland zijn schuldenlast vrij moeiteloos moeten kunnen dragen.

De EU-leiders hebben na de rituele vernedering van radicale Griekse politici en kiezers die zich tegen de EU-instellingen en de bezuinigingseisen hadden verzet, verder geen reden om Griekenland bezuinigingen op te leggen. Integendeel, ze hebben juist alle aanleiding om het succes van hun straffe beleid ‘voor eigen bestwil’ te demonstreren door de bezuinigingen te verzachten en zo de economische groei te versnellen. Hiermee komen we bij een belangrijk thema dat Tsipras en veel anderen niet hebben doorzien: de rol van de constructieve hypocrisie in de Europese politieke economie. Op papier zal de Griekse redding een krappere begroting met zich mee brengen en dus de economische malaise in het land verergeren. Maar in de praktijk zullen de begrotingsdoelstellingen met een korrel zout worden genomen, zolang de regering zich maar houdt aan haar beloften over privatisering, arbeidsmarkt en pensioenhervorming. Deze structurele hervormingen zijn veel belangrijker dan de begrotingsdoelstellingen. Bovendien zal een verruimde monetaire steun van de ECB aan Griekenland tot andere financiële omstandigheden leiden: de rente zal dalen, de banken zullen herkapitaliseren en er zal voor het eerst sinds 2010 weer particulier krediet beschikbaar komen.

Kortom, aan de belangrijkste voorwaarden voor een duurzaam herstel in Griekenland lijkt nu voldaan. Economen en beleggers blijken maar al te vaak blind voor grote keerpunten. De algemene overtuiging dat Griekenland voor een blijvende crisis staat, is een misvatting en zeker geen reden tot wanhoop.