Verkrachters zijn niet altijd gekken

Het lukt maar niet om het aantal aanrandingen en verkrachtingen terug te dringen. Dat komt doordat we ons in de preventie te weinig op de daders richten, schrijft Lauren Smits.

Campagnebeeld van de vrouwenrechtenorganisatie Terre des Femmes. foto Theresa Wlokka

Ik sta voor een stoplicht in Turkije. Ik ben 15 jaar. Ineens voel ik iets tussen mijn benen. Ik kijk verbaasd naar beneden en zie een duim. Een man naast me kijkt me vaag grijnzend aan. Het is groen. Ik loop door. Hoewel dit incident me destijds raakte, heb ik er lang niet over gesproken. Laatst vertelde ik het toch aan mijn moeder. Ze reageerde niet erg verrast – ze had soortgelijke ervaringen. En dat is ook niet gek: aanranding en verkrachting komen ontzettend vaak voor, vaker dan we geneigd zijn te denken. Een derde van de vrouwen en 8 procent van de mannen heeft weleens seksueel geweld meegemaakt. Daders zijn meestal man. Die cijfers zijn al jaren stabiel, blijkt uit onderzoek van Rutgers WPF.

Waarom lukt het ons niet het aantal aanrandingen en verkrachtingen terug te dringen? Omdat we te veel op het slachtoffer gericht zijn en we (potentiële) daders negeren.

Het begint al met taal. Anti-seksismeactivist Jackson Katz laat in een TED-talk treffend zien hoe we over verkrachting spreken. We zeggen niet ‘Jan verkrachtte Ans’ of ‘iemand verkrachtte Ans’, nee, we zeggen ‘Ans is verkracht’. Haar identiteit wordt gekoppeld aan de verkrachting, niet die van Jan.

Er werd gevraagd hoe kort haar rokje was

De slachtoffergerichtheid zie je ook terug bij de vragen van rechercheurs bij aangifte van seksueel geweld. Rosa Timmer, journalist bij het Dagblad van het Noorden, beklaagt zich hierover in een filmpje van haar krant. Ze werd tijdens het uitgaan ruw in haar kruis gegrepen en besloot aangifte te doen. Ze vertelt dat veel van de vragen die ze krijgt niet over de dader gaan, maar over haarzelf. Haar werd gevraagd hoe kort haar rokje was, wat voor schoenen ze aanhad en hoeveel ze had gedronken.

Rosa Timmer in het fragment: „Ze vragen ook ‘Heb je ooit weleens iets meegemaakt met zeden?’ Die vraag had ik niet verwacht. (…) Ik heb weleens iets meegemaakt waar ik het liever niet over heb. Ik had gelijk een brok in mijn keel. Want ik dacht: ‘Ik kom hier voor wat déze man heeft gedaan’.”

Ook ouders doen mee aan dit fenomeen. Ze vertellen hun dochters waar ze wel en niet moeten fietsen en wat ze wel en niet moeten dragen. Maar ze vergeten met hun zonen te praten over hun seksuele wensen, toestemming, grenzen en hoe je daaraan te houden.

In de wetenschap wordt dit fenomeen victim blaming genoemd. In Nederland zijn de mensen die geloven dat een meisje de verkrachting zelf veroorzaakt, in de minderheid. Maar de meesten doen wel aan victim focusing. Ze schrijven de verkrachting weliswaar toe aan de dader, maar vinden het te pijnlijk om zich in preventie te richten op de jongens en mannen. Ze kunnen het zich voorstellen dat hun dochters en vrouwen verkracht worden, maar dat hun zonen, broers en vaders verkrachters zijn, willen ze niet geloven.

Dit wordt versterkt door hoe we over het algemeen over verkrachters denken. Het stereotiepe beeld van de verkrachter is een man die vanuit de bosjes een meisje bespringt. Maar gezien het feit dat de dader meestal een bekende van het slachtoffer is (Rutgers WPF, 2012), is de kans groot dat jij iemand bent of kent die ooit iemand heeft aangerand of verkracht.

Een ander kenmerk dat wordt toegeschreven aan ‘de verkrachter’ is het idee dat hij gedreven wordt door lust. Lust is een onbedwingbare aandrang tot genieten. Het impliceert dat verkrachting geen keuze maar een impuls is. En ook dat de belangrijkste drijfveer achter verkrachting is: ‘ik had gewoon zin in seks’.

Uit onderzoek van Mechtild Höing en Nico van Oosten blijkt echter dat overtuigingen en moraal wel degelijk een rol spelen. Juist mannen die geloven in verkrachtingsmythes als „je kunt je eigen vrouw niet verkrachten” en „in een kort rokje vraag je erom” hebben meer kans om een dader te worden. Ook traditionele opvattingen over sekserollen en negatieve attitudes ten aanzien van meisjes en vrouwen hangen samen met een groter risico om dader te worden.

Een andere misvatting: seksueel geweld gaat over seks. Nee, het gaat over macht, zegt Jens van Tricht, oprichter en directeur van Emancipator, de Nederlandse organisatie voor mannen en emancipatie. „We socialiseren mannen verkeerd”, meent hij. „Man ben je niet zomaar, je moet het bewijzen. We leren jongens hun emoties te onderdrukken en we geven ze kort gezegd twee uitlaatkleppen: seks en geweld. Je moet altijd seks willen, kunnen en hebben. En door geweld vergroot je je status.”

Denken over wat je lekker vindt

Deze boodschappen krijgen jongens vanzelfsprekend niet van ouders en docenten, maar van media, vrienden en ook: porno. Een vriend van me legde me laatst uit hoe een standaard pornosessie er bij hem uitziet. Het begint rustig met wat standaardporno, maar voor je het weet kijk je naar fisting, twee piemels in één keer en zakken over hoofden. Als je dergelijke porno vaak ziet, is het niet gek dat je er na een tijdje ook echt opgewonden van raakt. In veel porno worden agressie en geweld verheerlijkt.

Wat we hieraan kunnen doen? Volgens Jens van Tricht zouden school en ouders de sociaal-emotionele en seksuele ontwikkeling van jongens meer moeten ondersteunen. „Jongens zijn net als meisjes in eerste instantie verlegen en kwetsbaar als het gaat om seks. We moeten ze vragen leren stellen als: ‘Hoe zie ik mezelf in relatie tot mijn lichaam, emoties en anderen?’, ‘Wat vind ik lekker?’ en ‘Hoe ga ik ermee om als ik zin heb in seks en de ander niet?’”

Niet alleen het onderwijs, ook therapie voor daders om herhaling te voorkomen, informatieve campagnes en diversiteit in seksualiteit in populaire media en porno kunnen bijdragen aan het verminderen van het aantal verkrachtingen, vindt hij. „Je zou het positief kunnen bekijken. De meerderheid van de Nederlandse mannen wordt nooit dader en heeft dus geleerd hoe ze op een gezonde manier seksueel actief kunnen zijn.”

Duidelijk is dat we verkrachting niet moeten zien als uitzonderlijk gedrag van individuele gekken, maar als een maatschappelijk probleem dat sterk te maken heeft met wat we jongens leren over mannen en vrouwen. Al vertoont iemand nog monsterlijk gedrag, je mag hem nooit buiten de samenleving plaatsen. Een samenleving die verkrachters voortbrengt, moet de verantwoordelijkheid voor ze nemen. Dit zijn onze mensen.