Column

Hoe je een attractie maakt van een trauma

Links is de huiskamer, jaren vijftig, rechts hebben we uitzicht op de dijk die ons scheidt van de zee. De nacht valt, het waait en het waait en het waait. De masten van de vissersboten gaan plat, elektriciteitsleidingen knappen, verderop vliegt een boerderij in de brand. Naast me springt een jongetje in zijn vaders armen, een meisje schreeuwt om haar moeder. „Mama! Mama! Mama!” Of is het de geluidsinstallatie?

Dan komt het water. De deuren naar de volgende zaal gaan open, we schuifelen naar binnen, de Watersnoodramp van 1953 is overal om ons heen. Het geweld van de golven. De razende storm. De noodkreten. Het dak van het huis waar we net zogenaamd in stonden is weg, waar voorheen de zolder was staat nu een in 3D geanimeerde jongen wanhopig met zijn armen te zwaaien. Hoe zal dat aflopen?

Goed natuurlijk, want dit is Nederland 2015, Deltapark Neeltje Jans, en niemand haalt het in zijn hoofd om het vakantie vierende publiek de stuipen op het lijf te jagen met echte dood en echt verderf. Het is zo al erg genoeg. Er zijn Zeeuwen die er schande van spreken, een attractie waarin je hun trauma kunt herbeleven. Gaan we hierna soms een attractie maken van de MH17? Dat je kunt ervaren hoe het is om in een vliegtuig te worden neergeschoten?

Als kind dacht ik dat ik de Watersnoodramp van 1953 had meegemaakt. Mijn vader had me eens verteld hoe ik met kinderwagen en al uit het slaapkamerraam in een roeibootje was getild, en ik meende me zelfs te herinneren hoe koud het was geweest en hoe nat. Uren kon ik kijken in het fotoboek dat was uitgegeven om geld voor het rampenfonds in te zamelen. Gezwollen koeienkadavers die in het water dreven. Kleine meisjes op de schouders van dappere soldaten.

Maar onze Watersnoodramp was die van 1960 en zette alleen een deel van Amsterdam-Noord onder water. Breuk in de dijk van Zijkanaal H van de Noorder-IJpolder, veroorzaakt door slecht onderhoud. ’s Morgens vroeg wilde mijn vader net op de brommer stappen om naar zijn werk te gaan toen de buurman naar buiten kwam rennen. „Buurman, buurman, zet je radio aan, we lopen onder.”

Geen razende golven. Sijpelen was het. Mijn vader bracht de oudste kinderen naar kennissen in de Abrikozenstraat, boven zeeniveau, daarna sjouwde hij met mijn moeder samen alle spullen naar boven. Toen het water tot hun knieën kwam, zette mijn moeder een pot koffie en trok mijn vader zijn legeruniform aan. Ze gingen boven bij het raam zitten wachten tot ze gered werden.

Nooit hebben mijn ouders erover gepraat in termen van trauma, toch ben ik lang bang voor overstromingen geweest. Moet wel door mijn oma komen. Die maakte als meisje van zes de Stormvloed van 1916 mee die de vissersdorpen rond de Zuiderzee onder water zette. Ze woonde in Bunschoten, ze zag de koeien met eigen ogen verdrinken. „Zo zijn we Amsterdammers geworden”, zei ze er altijd met een zweem van treurnis bij. De Afsluitdijk werd aangelegd, de visserij op de Zuiderzee was voorbij, mijn opa liet zich omscholen tot politieman. In Amsterdam werden de Olympische Spelen georganiseerd. Daar hadden ze nieuwe politiemannen nodig.