Discriminatie De tijd is rijp voor LHBT’ers in de grondwet

illustratie angel boligan

Discriminatie op grond van bijvoorbeeld godsdienst, ras en geslacht verbiedt onze grondwet expliciet. Terecht. Maar LHBT’s (lesbi’s, homo’s, bi’s en transgenders) moeten het doen met een onduidelijk bijzinnetje over discriminatie ‘op welke grond dan ook.’ Iedereen is gelijk, maar sommigen zijn gelijker dan anderen. Het gevoel van ongelijkheid wordt versterkt doordat ‘lagere wetgeving’, zoals de strafwet en de Algemene Wet Gelijke Behandeling, homodiscriminatie wel expliciet verbieden. Alsof het bij LHBT’s gaat om een tweederangs discriminatieverbod, dat het noemen in de Grondwet niet waard is.

Aan de vooravond van de Gay Pride 2015 vragen wij regering en parlement om een expliciet verbod op LHBT-discriminatie op te nemen in artikel 1. Een expliciet verbod is een duidelijk signaal dat LHBT-discriminatie onacceptabel is. Bovendien maakt het duidelijk dat discriminatie op grond van godsdienst (wel expliciet genoemd) en seksuele identiteit (niet genoemd) even zwaar wegen. Niet onbelangrijk, want juist deze twee gronden schuren in de praktijk nog wel eens. Bijvoorbeeld wanneer weigerambtenaren met een beroep op godsdienst LHBT’s discimineren.

Levert expliciete vermelding in artikel 1 van de grondwet LHBT’s juridisch iets op? Dat werd in 2006 voor de regering onderzocht door een commissie, die concludeerde dat expliciete vermelding drie bijzondere vormen van rechtsbescherming biedt. Ten eerste is het een ‘vingerwijzing’ aan de wetgever om er voor te zorgen dat LHBT’s ook in de toekomst beschermd worden. Een verbod op LHBT-discriminatie in bijvoorbeeld de strafwet kan nu wel vanzelfsprekend lijken, het is niet gezegd dat dat zo blijft als de publieke opinie zich onverhoopt ooit weer tegen LHBT’s keert. Ten tweede kent de rechter volgens de commissie in bepaalde gevallen waarde toe aan expliciete vermelding. Daardoor is discriminatie soms makkelijker te bewijzen. Tenslotte is er volgens de commissie sprake van maatschappelijke rechtsbescherming: expliciet vermeldde gronden zijn een soort ‘maatschappelijk baken’ waarop burgers zich in het publieke debat beroepen.

Bij de Grondwetsherziening van 1983 betoogden ministers en Kamerleden nog dat een verbod op homodiscriminatie niet voldoende paste bij de ‘heersende overtuigingen’, dat het nog te zeer in de ‘taboesfeer’ lag. Dat – toch al niet erg valide – argument is achterhaald. Alleen al het feit dat 78 procent van de Nederlanders voor het ‘homohuwelijk’ is, toont dat aan.

Alle reden om een expliciet verbod op LHBT-discriminatie toe te voegen. Dat adviseren ook het College voor de Rechten van de Mens en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Negen andere Europese landen waaronder Spanje, Zweden en Malta, hebben al zo’n grondwettelijk verbod. En er lijkt breed politiek draagvlak: de VVD was bij grondwetsherziening van 1983 al voor en D66, GroenLinks en PvdA kwamen in 2010 met een initiatiefwetsvoorstel van deze strekking.

Dus wat ons betreft: aan de slag!

Voorzitter COC Nederland, Philip Tijsma Voorzitter COC’s Landelijke Werkgroep Politiek