Column

Bladzijde 83

Zoals menig vader Prediker of Jesaja citeert, zo citeerde mijn vader literatuurcriticus Kees Fens. Het „Fens zegt” lag hem in de mond bestorven. Wij kinderen hadden geen idee wie of wat Fens was maar accepteerden diens autoriteit gedachteloos. Keer op keer legde mijn vader uit wat close reading was en dan lachte hij tevreden, alsof hij, samen met Fens, de wereld te slim af. Wij hoorden het aan en wisten, zonder iets van zijn woorden te begrijpen, dat mijn vader het ware geloof aanhing.

Dat geloof werd echter beproefd toen Fens een stuk over jeugdliteratuur schreef. „Hee, Fens schrijf over kinderboeken”, zei mijn vader op een avond verrast. Mijn zusje en ik keken op. Het was of Prediker het ineens over voetbal had.

„Fens zegt…”, las mijn vader, „dat Het wereldje van Beer Ligthart niet goed is.” Pijnlijk verrast keken we elkaar aan. Dat hadden wij alle drie een mooi boek gevonden. Waarom was het niet goed? Omdat, zo legde Fens uit, op bladzijde drie de onvergeeflijke zin stond: „Hij was blind. Dat moest hij nu onder ogen zien.”

Bedremmeld keken we elkaar aan. Ja, dat was een fout. We hadden er overheen gelezen. Waren we nu verkeerd? Moesten we Het wereldje van Beer Ligthart een lelijk boek gaan vinden om iets wat ons niet was opgevallen? Intussen las mijn vader gespannen door. Toen zoog hij met een kreet zijn adem in. „Fens zegt dat Thea Beckman niet goed is!”

Dat was een zware slag, die mij misschien nog iets harder trof dan de anderen. In Het rad van Fortuin, een boek dat zich tijdens de bloedige Honderdjarige Oorlog afspeelt, stond een zin die ik al weken lang met ingehouden adem over las. ‘Blz 83’ had ik zelfs in ragdunne lettertjes op het schutblad geschreven.

De ongeletterde houwdegen Bertrand du Guesclin, legeraanvoerder van de Fransen, spreekt zijn bewondering uit als zijn jonge vriend Matthis Cuvelier, een verlegen dichter die geen bloed kan zien, hem in de gevangenis komt opzoeken. „‚Alleen om te weten hoe het met me ging ben je het kamp binnengekomen? Drommels, daar was moed voor nodig’, zegt Bertrand. De mannen glimlachen tegen elkaar. Beiden weten ze dat Matthis’ moed niet een kwestie is van sterke armen, doodsverachting en dierlijke bloeddorst, maar het voortdurend overwinnen van de angsten uit zijn kinderjaren.”

Deze zin leek wel speciaal voor mij geschreven. Hoewel ik pas dertien was, voorvoelde ik al dat ook mijn leven bestond – en zou blijven bestaan – uit het „voortdurend overwinnen van de angsten uit mijn kinderjaren.” Ik vond dat toen al vreemd voor een kind, belachelijk bijna. Een kind moest in bomen klimmen en schrammen op zijn knieën vallen, niet lopen tobben over een kindertijd die nog niet eens was afgelopen. Maar Bertrand du Guesclin zag ook dát als moed. En Thea Beckman, de schrijfster, zette beide soorten moed, het overwinnen van het Engelse leger en het overwinnen van verlegenheid, op eenzelfde lijn.

En nu zou Fens zeggen dat dat boek niet deugde? We hielden onze adem in. Toen verhelderde het gezicht van mijn vader. „Ik weet het! Fens maakt een denkfout. Hij legt voor kinderboeken dezelfde maatstaf aan als voor echte literatuur!” Opgelucht keken we elkaar aan. We waren gered.

Bladzijde 83, daar staat het nog altijd zwart op wit: dat ik mocht wezen wie ik was en dat dat goed was.