Biecht Bouterse na 33 jaar de Decembermoorden op?

President van Suriname

Het proces over de Decembermoorden ligt al jaren stil. Een nabestaande wil nu ‘waarheidsvinding’. Bouterse stemt in.

Desi Bouterse

„Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken hoe het voor de nabestaanden moet zijn om mij in deze positie te zien.” Het zijn de woorden van de onlangs herkozen Surinaamse president Desi Bouterse in een brief aan de broer van een van de vijftien slachtoffers van de Decembermoorden in 1982 – allen opposanten van het militaire Bouterse-regime.

In de brief aan Sandew Hira, broer van de vermoorde advocaat John Baboeram, accepteert Bouterse diens voorstel mee te werken aan „waarheidsvinding”. Hira deed het voorstel vorige week op de Surinaamse nieuwssite Starnieuws. Hij wil met een team onderzoek doen naar de gebeurtenissen op en rond 8 december 1982. Onderdeel daarvan moet een interview zijn waarin Bouterse, hoofdverdachte in het door een amnestiewet opgeschorte proces, getuigenis aflegt. Het onderzoek moet op 8 december 2015 resulteren in een rapport voor het parlement. Wat erna moet gebeuren is onduidelijk. Andere nabestaanden spreken in een verklaring van een „manoeuvre” van Bouterse om „de rechtsstaat te doen wankelen”. Zij stapten al naar het Inter-Amerikaanse Mensenrechtenhof om hervatting van het proces af te dwingen.

Niet eerder klonk Bouterse deemoediger. „Weet dat ik uw pijn en verdriet en dat van uw ouders, het hele gezin, alsook van de andere nabestaanden begrijp”, aldus Bouterse in de brief aan Hira, gisteren op Starnieuws. Toen het parlement in 2012 de amnestiewet aannam, noemde Bouterse tegenstanders van die wet nog „vijanden” van het volk. Een vertrouweling die getuigde dat Bouterse bij de moorden was, was „een judas die voor een bord linzensoep” was omgekocht.

Vanwaar die andere toon en wat is de betekenis? Tot nu had hij alleen de „politieke verantwoordelijkheid” genomen voor wat hij nu ook weer de „decembergebeurtenissen” noemt. Hij ontkende altijd dat hij persoonlijk aanwezig was bij de slachtpartij.

Mogelijk rekent Bouterse op vergevingsgezindheid van de, veelal religieuze, Surinamers. Hij zal weer beweren dat er een coup met buitenlandse inmenging dreigde – om zo enig begrip te kweken. Maar daarvoor is nooit een aanwijzing gevonden – van mogelijk buitenlands ingrijpen was pas na de Decembermoorden sprake. Bouterse stond najaar 1982 tegenover een brede democratiseringsbeweging. Ook in de brief aan Hira refereert Bouterse weer aan een coupdreiging.

De Surinaamse president komt hoe dan ook in een lastig parket. Als hij op nieuw ontkent dat hij persoonlijk bij de moorden was, maakt hij zich nog ongeloofwaardiger. Want getuigenissen voor de krijgsraad, waaronder van zijn eigen secretaresse, wijzen op het tegendeel. Een VN-rapporteur concludeerde destijds al dat hij erbij was.

Als Bouterse toegeeft zal dat veel commotie geven: een president die erkent direct betrokken te zijn geweest bij meervoudige moord. Nog los van het feit dat er dan een bekentenis van de hoofdverdachte ligt, die een rol kan spelen in een mogelijk ooit te hervatten proces. Dan kan zelfs in zijn eigen partij de vraag rijzen of hij nog president kan zijn. En dat lijkt Bouterse, die ervan droomde een vader des vaderlands te zijn, te willen blijven. „Suriname heeft recht op de waarheid, recht op afsluiting en verwerking, zodat we samen als natie verder kunnen”, schrijft hij aan Hira.