Column

Wilderswil

Mijn ouders waren geen reizigers, maar we gingen toch. Altijd naar Wilderswil, een Zwitsers dorp met uitzicht op Eiger, Mönch en Jungfrau. Ze huurden er de bovenverdieping van de boerderij van een familie die de hele dag bezig was met het maken van kaas. Die vakanties kon je samenvatten in drie woorden: wandelen, wandelen en wandelen. Berg op, berg af en dan uiteindelijk weer uitkomen bij die boerderij, waar mijn vader een schildje met het logo van het dorp waar we op tweedehands bergschoenen naar toe waren gelopen op onze wandelstokken timmerde.

Dat herinnerde ik me, en ook dat we er altijd ontzettend veel conservenblikken mee naar toe namen in de achterbak van de Mazda 323.

De ontbrekende herinneringen vond ik eergisteren. De zolder moest leeg. Er stonden daar dozen die vier verhuizingen hadden overleefd en waarin ik in geen vijftien jaar had gekeken. Op een ervan stond met stift ‘Zwitserland Marcel’. Er zaten stenen uit Zwitserland, een hoorn van een koe, een koebel met opschrift ‘Wilderswil’ en een plakboek in.

Ik was weer even zestien, het jaar waarin ik begon en stopte met het verzamelen van stenen en waarin we voor het laatst naar Wilderswil gingen, een plaats die ik toen structureel ‘het Zwitsers kutdorp’ noemde.

Het plakboek las als een sociaal experiment van twee volwassenen die zich met hun drie puberkinderen vrijwillig hadden laten opsluiten op de bovenverdieping van een boerderij bij een Zwitsers dorp waar niets te beleven was.

‘Zelfs geen televisie!!!’, las ik met de ergernis van toen. We verbleven er dat jaar een maand, een periode waarin het bijna onafgebroken regende en we noodgedwongen binnen zaten.

‘Weer kutweer’, schreef ik. ‘Weer Monopoly, weer Scrabble.’

Mijn ouders moeten dat jaar uitgeput zijn teruggekeerd. Mijn zus sloeg me per ongeluk met haar wandelstok drie hechtingen op het hoofd, ik verscheurde haar lievelingsboek, mijn broer glibberde een ravijn in en tijdens een onweer hingen we een paar uur in een stoeltjeslift in Lauterbrunnen. Mijn broer en ik boven het dak van een boerderij, mijn vader boven een weiland, mijn moeder en zus ‘lekker’ boven een afgrond. Het plakboek stopte abrupt met een notitie over mijn ouders: ‘Nu hebben ze zelf ook ruzie, hahaha. Nog drie dagen.’

Later zouden ze het nog regelmatig over die heerlijke vakanties in Wilderswil hebben. Naast het sterfbed van mijn vader stond een koebel uit Wilderswil en mijn zus ging er zelfs op huwelijksreis naar toe. Zelf had ik laatst ook wel weer zin in Wilderswil, ik noemde het tenminste als mogelijke vakantiebestemming. Het was een raadsel hoe dat kon.

Marcel van Roosmalen