Ik heb straatgedacht, ik krijg daar geld voor

Wie: Arron

Waar: Rotterdam, strafkamer

Kwestie: drugs- en vuurwapenbezit

Arron wil begrip. Voor zijn situatie. Voor zijn gezinnetje, met de nieuwe baby die zo ziek bleek. Hij moest Pampers kopen. En benzine, dat ook. Ik zat in de nood, meneer de rechter. Ik moest een centje verdienen. De gemeente had de uitkering ingetrokken. Dat zakje poeder was mij toegewezen, om te verkopen. Maar ik ben onervaren in die wereld. Ik heb straatgedacht – ik dacht, ik krijg daar geld voor. Het klopt, ik heb Giorgio rondgereden; hij zou mij eten geven. Zeker, drugs.

Ik ken hem niet goed, ik heb wel sigaret met hem gerookt, bij de Nettomarkt. Ik weet niet waarom ik dat wapen moest bewaren. Ik dacht, ik krijg daar geld voor, die man zal mij opzoeken en me vragen, waar is mijn ding. Ik heb erg veel spijt, mijn kind is ziek. Het is erg zwaar. Ik heb veel emotionele momenten gehad.

En Arron had het net zo’n beetje op orde. Hij was onder voorwaarden vervroegd vrijgelaten en stond onder toezicht. In de gevangenis had hij z’n schildersdiploma behaald, met VCA-certificaat – en hij had gesolliciteerd, overal. Ook in de schoonmaak, heus niet alleen schilderen. Hij had net z’n rijbewijs, dus van al die bekeuringen voor onbevoegd autorijden was hij nu ook af. En hij was schuldenvrij. Nou ja, bijna.

Op z’n 18de was Arron uit Curaçao naar Nederland gekomen. In de twintig jaar sindsdien was er alleen de uitkering geweest. En een paar veroordelingen, wegens dealen, diefstal met geweld en dan dus die laatste straf. Hij had iemand geprikt en dat was niet goed gegaan. Zeven jaar moest hij in de cel, waarvan hij de laatste twee jaar dus buiten mocht blijven. En die wil de officier nu alsnog opleggen. Met tien maanden erbij voor de coke en de revolver. Omdat hij de verkeerde keuzes maakt.

Het arrestatieteam had hem ’s ochtends van huis opgehaald. Die middag was hij al gaan praten. Hij wil schoon schip. „Ik wil niet met m’n voorwaarde spelen.” Maar dat dreigt nu wel te gebeuren. Toch, hij hoopt van niet, man. De politie had Giorgio’s revolver en de munitie en de coke niet gevonden – hij had daarom maar gezegd waar die lagen. Toen is de politie teruggegaan. Ik ben hier de dupe, meneer.

De advocaat betwist de rechtmatigheid van het bewijs. Er was wettelijk onvoldoende aanleiding voor de politie geweest om bij hem binnen te vallen. Zijn auto was herkend, maar hij niet. Een inzittende zou een vrouw hebben bedreigd. En dat was gezien. De melder ‘dacht’ dat het met een wapen was. Maar was het dat ook? En was dat zijn cliënt wel geweest?

Verder had Arron inkeer getoond en de politie over de coke en de revolver verteld. Hij wílde helemaal niet weer het criminele pad op. Het overkwam hem, hij kreeg die dingen in zijn handen gestopt. Het zijn natuurlijk stomme, strafbare feiten, edelachtbare. Maar dit is een impulsieve man die niet zoveel inzicht in de gevolgen zijn handelen heeft. Wij moeten deze man niet opgeven – en als we hem bijna 3,5 jaar opsluiten dan doen we dat wel. Arron zat vrijwel aan het einde van zijn voorwaardelijk vrije periode. Dat hoeven we toch niet helemáál te herroepen? En heeft Arron nog een laatste woord? „Ik wil bedankt zeggen. Ik wil gewoon naar mijn gezinnetje, naar mijn dochtertje. Anders is ze straks vier.”

Twee weken later veroordeelt de rechtbank Arron tot vijftien maanden cel. Zes voor drugs en revolver, negen van zijn vorige straf.