‘Ik ben toch wel heel blij dat ik in Holland woon’

Nederlandse Marokkanen trekken in de zomer nog altijd massaal naar hun geboortegrond, of die van hun ouders. Maar in Nador lopen ze rond als toeristen.

Zomer in Nador: zwemmen, shoppen en op het strand met een Hema-tas. Foto’s Youssef Boudlal

Voor hotel-restaurant Molen staat een witte stretched Hummer geparkeerd. Op het terras serveren obers in oranje poloshirts het eten en drinken. Sushi, gourmet burgers en kopjes thee. Tot diep in de nacht. Dit is the place to be in Nador. Tenminste voor vakantie vierende Nederlandse Marokkanen.

„De standaard ligt hier bij Molen wat hoger dan bij gewone restaurants in de stad”, legt hotelmanager Simon Squalli uit. „Als je in Europa woont, is het niet makkelijk heel veel stappen terug te zetten. Dan raak je gewend aan wat luxe.”

Als het hoogseizoen is begonnen trekken traditiegetrouw lange stoeten met Marokkanen vanuit Nederland, Duitsland en België over de snelwegen van Frankrijk en Spanje naar Noord-Afrika. Ze gaan terug naar hun wortels. Voor velen van de 370.000 Nederlandse Marokkanen liggen die in het Rifgebied, met Nador, Al Hoceima en Tetouan als voornaamste steden. Voorheen noemden de Berbers de zomervakantie steevast ‘thuiskomen’. Zoals schrijver Abdelkader Benali het leven in Nador schetst in zijn boek Bruiloft aan zee. Maar voor vele tweede of derde generatie emigranten is het noordoosten van Marokko niet meer de plek waar ze altijd naar terug verlangen. Waar ze per se een huis willen kopen en oud willen worden. Daarvoor zijn ze te vernederlandst.

Het clichébeeld van de volgeladen busjes met vastgebonden matrassen op het dak is langzamerhand vervaagd. Op de veerboten die vanaf Spanje naar Noord-Afrika varen is het wagenpark gemoderniseerd. Families met kinderen rijden in gezinswagens in alle kleuren en maten. Het vliegtuig, de trein of de bus zijn vaak geen optie. „Allereerst is vliegen naar Nador ontzettend duur”, zegt Aziz Chioue uit Utrecht twee dagen na zijn aankomst in Nador. „Daarnaast móet je wel een auto hebben. Anders kun je hier niets doen.’’

Zwaar bewaakte grens

Bij de grensovergang tussen de Spaanse exclave Melilla en het Marokkaanse Beni Enzar krijgt de dagelijkse chaos er in de zomermaanden een extra dimensie bij. Naast de handelaren, die allerlei goederen van Europa naar Afrika proberen te brengen, dringen de toeristen. Na twee tot drie dagen rijden is dit het laatste knelpunt voor Nador. Tandenloze mannetjes proberen voor een paar dirhams lege briefjes van de douane te slijten.

Boven de zwaar bewaakte grens wapperen Marokkaanse vlaggen. Talloze auto’s met gele Nederlandse nummerborden rijden er onderdoor. Ze passeren een groepje Marokkaanse jochies, dat constant loert op het juiste moment om in omgekeerde richting rennend de grens over te steken. Op zoek naar het geluk in Europa.

Nador is het laatste decennium in snel tempo veranderd van een achtergestelde provinciestad tot de plek die door koning Mohammed VI is aangewezen om uit te groeien tot een strategisch centrum in het noorden van Marokko. De economie van het land groeit met 5 procent. Overal wordt gebouwd. Wegen zijn sterk verbeterd, aan de kust van Nador wordt de langste boulevard van het land aangelegd, de luchthaven is gemoderniseerd, een grootvillapark met golfbaan is in aanbouw en volgens plan moet er een nieuwe haven komen van internationale allure. Bij dit alles zijn de inkomsten van naar Europa geëmigreerde Marokkanen van groot belang. De stad verwelkomt hun verloren zonen met open armen.

De modernisering van Nador heeft de kloof tussen arm en rijk verder vergroot. Het verschil tussen ‘autochtone’ Marokkanen en de ‘Europese Marokkanen’ is vaak schrijnend. De contrasten in het straatbeeld zijn surrealistisch. Een paard en wagen vol met gele meloenen, die twee toeterende glimmende Mercedessen achter zich houdt. Een bedelaar vlak voor de ingang van een viersterrenhotel, waar de gasten badderen in een zwembad met uitzicht op zee. Of neem het beeld van de vader die met zijn twee zonen aan de boulevard Youssef Ibn Tachfine restaurant Romero binnenstapt en een bord met vis bestelt. Eén van de jongens vertrekt en komt een kwartier later terug met een grote papieren tas vol met hamburgers van McDonalds en deelt ze met zijn broer. De ober laat het lachend toe. Zo genieten twee generaties Nederlandse Marokkanen in 2015 van een gezamenlijke maaltijd.

Aziz Chioue is voor het eerst sinds 2011 terug op zijn geboortegrond. Samen met zijn vrouw en vier kinderen viert de werknemer van een Nederlandse elektriciteitsmaatschappij zijn vakantie met gemengde gevoelens. „Ik ben op mijn zesde aan de hand van mijn ouders naar Nederland gegaan’’, vertelt hij aan een ontbijt in het moderne deel van Nador. „Van mijn leven hier is me weinig bijgebleven. Voor mijn ouders is dit echt hun thuis. Voor ons geldt dat minder. Dit is een vakantie van een paar weken. Daarna gaat het leven door in Nederland. Aan een terugkeer naar Marokko denken we niet. Voor mij is een tweede huis hier geen droom.” En dan lachend: „Veel te duur!”

Chioue merkt dat de Marokkanen uit Nador anders naar de Nederlandse Marokkanen kijken dan voorheen. Het minimumloon in Marokko is circa 150 euro per maand. Veel draait om geld. Zo niet alles. „De mensen kijken ons er op aan dat alles zoveel meer kost omdat wij geld meebrengen vanuit Europa. Ze denken vaak dat alles in Nederland vanzelf gaat. Maar ik heb voor iedere cent keihard moeten werken”, zegt Chioue. Zijn vrouw Sabiha Riffi valt hem bij. „In Nederland worden wij als buitenlanders gezien, maar hier in Marokko ook. We vallen overal tussen. We worstelen met onze identiteit. Maar als je het mij vraagt, dan ben ik toch wel heel blij dat ik in Nederland woon hoor.”

Hollandse molens

De Nederlandse Marokkaan Ahmed Boukil speelt sinds 2010 met hotel-restaurant Molen handig in op de wensen van de toeristen in Nador. De ondernemer uit Blaricum heeft een plek gecreëerd waar Nederlandse Marokkanen zich thuis voelen. Na een dagje strand en een rondje in de wagen langs de boulevard, strijken velen neer op het terras. Het is zien en gezien worden.

Bier is hier niet te koop. Het zou families met kinderen weghouden, stelt de manager. Achter de bar hangt een portret van de Marokkaanse koning, in de ramen staan Hollandse molens gegraveerd. „De prijzen zijn hier ook bijna Nederlands”, zegt de 28-jarige Kamal el Fakir nippend aan een kopje koffie. „De eigenaar wil graag in Blaricum blijven wonen.”

Kamal el Fakir is een twintiger die zijn zaakjes in Nederland op orde heeft. Hij verdient zijn geld met zijn consultancybureau waarmee hij onder meer Nederlandse Marokkanen van advies dient. „Er wordt vaak tegen mij gezegd: ‘Jij bent anders’. Ik geloof daar niet in. Iedereen leeft zijn eigen leven. Ik heb van jongs af aan geleerd voor mezelf te zorgen. Vanaf mijn dertiende heb ik baantjes gehad. Zo heb ik jaren in de autobranche gewerkt.”

De consultant is met een gloednieuwe leaseauto naar Marokko gereden, maar de tijd dat hij showend door de stad rijdt is voorbij. Hij kijkt soms zelf wel met een verbaasde blik naar de Porsches, de Mercedessen en de BMW’s die met Nederlandse, Duitse en Belgische kentekens aan het begin van de boulevard in de rij staan bij de McDrive. „Sommige auto’s zijn gehuurd. Dat kun zien aan het nummerbord. Maar van andere wagens weet je dat niet. Waarom zou elke luxe auto met fout geld betaald zijn? Een dure Mercedes kan toch gewoon van een geslaagd zakenman zijn?”

El Fakir is er net als vele andere Nederlandse Marokkanen van overtuigd dat Nador een moderne stad met potentie zal worden. Hij heeft als eens verlekkerd gekeken naar de riante woningen aan zee die in een afgesloten gebied even buiten de stad worden gebouwd. Huizen van 2,5 ton in euro’s. „Wonen in Marokko met de luxe van Europa. Het is een droom die voorheen niet bestond. Maar straks wel. Ik zou het wel zien zitten.”