De krant van 1,19 miljard euro

De FT werd vorige week gekocht door het Japanse Nikkei. Een logische keuze, journalistiek gezien. De roze zakenkrant weet lezers digitaal aan zich te binden.

Financieel kunnen er wellicht vragen gesteld worden over de koop van de Financial Times door Nikkei. De Japanse uitgever betaalde vorige week uitgever Pearson 844 miljoen pond (1,19 miljard euro) voor de Britse krant, 35 maal haar jaarlijkse winst.

Maar journalistiek gezien is de koop logisch. Financial Times (FT) is een van de weinige digitale succesverhalen. De overgrote meerderheid van haar lezers leest niet meer van papier - wat voor de Nikkei-kranten nog wel geldt - en de helft van de online bezoekers leest ‘de krant’ zelfs niet op een desktopcomputer of laptop, maar op smartphones en tablets.

Belangrijker: er zijn slechts enkele kranten die – dankzij hun voertaal en inhoud – wereldspelers zijn, waaronder FT en concurrent Wall Street Journal. In naam en toon is zij wellicht een Britse krant, maar de meerderheid van haar lezers woont buiten het Verenigd Koninkrijk, zoals in het voor Nikkei belangrijke China. ‘De zakenkrant van de wereld’ is de onderkop van FT dan ook.

Die ambitie een wereldwijde nieuwsorganisatie te zijn, heeft FT al sinds de jaren zeventig. De economie internationaliseerde, de krant ging mee – geholpen door het feit dat Engels de voertaal in het geglobaliseerde bedrijfsleven is.

En door haar journalistiek. De Lex-column is in de financiële wereld onmisbaar (oud-schrijvers werden onder meer minister van Financiën, lid van de monetaire commissie van de Bank of England, bestuursleden bij banken, en politici), net als de EU-verslaggeving essentieel is voor Brussel-volgers. FT-verslaggevers hebben vaak bronnen op het allerhoogste niveau. Al kwam de koop door Nikkei ook voor de redactie als een verrassing: ze had zelf ingezet op het Duitse Axel Springer als nieuwe eigenaar.

Al in 1979 lanceerde FT een Europese editie, en daar zijn sindsdien edities voor de VS, Azië en het Midden-Oosten bijgekomen. Dat zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden kranten. Wie ’s ochtends in Londen nog met een papieren Britse editie in de Eurostar stapt, kan twee uur later in Brussel een totaal andere FT zien liggen.

Niet langer eerst aan papier denken

Er zijn plannen om die edities terug te brengen tot één. Dat past bij de andere ambitie van FT: volledig digitaal te worden. Hoofdredacteur Lionel Barber wil bereiken dat „we in denken en doen niet langer eerst aan papier denken”, zei hij begin dit jaar nog eens in een e-mail aan de 600 man tellende redactie. Het ritme van de Britse tijdszone moet ook worden losgelaten.

Dat proces begon hij bij zijn aantreden, in 2005. Barber liet de verslaggeving, eindredactie en productie van krant en site integreren. Dat was deels uit financiële noodzaak omdat FT toen nog verlies leed, deels omdat hij zag dat de krant steeds vaker online werd gelezen.

De FT was digitaal een voorloper. De site beschikte eind jaren negentig al over een omvangrijke webredactie, en vraagt al sinds 2002 geld voor online lezen. Vijf jaar later begon de FT als eerste met een metered model, dat sindsdien door andere dagbladen is gekopieerd. Daarbij zijn na registratie een aantal artikelen per maand (acht bij FT) gratis te lezen, daarna moet worden betaald. Sinds begin dit jaar heeft ze daar een tweede model bij: een proefabonnement voor 1 pond of 1 euro per maand, waarna het volledige abonnementsgeld moet worden betaald. Het idee is „een gewoonte aan te leren”, zei eerder dit jaar John Ridding, directeur van FT Group, tegen persbureau Reuters.

FT loopt ook voor in het verzamelen van gegevens over haar abonnees. De krant richt zich daarbij niet op bezoekersaantallen, maar op het vasthouden van betalende lezers en hoe vaak zij terugkeren, wanneer en waarom. Tegen het Poynter Instituut voor journalistiek vertelde Ridding vorig jaar: „We hebben een systeem gebouwd waardoor we onze lezers begrijpen.” Dat betekent dat ze bijvoorbeeld worden gewaarschuwd wanneer FT een artikel over een klant of concurrent publiceert.

FT profiteert verder van het feit dat de inhoud doordeweeks in de financiële sector onontbeerlijk is. In het weekeinde mikt ze op een welvarende – en groeiende – groep lezers, onder meer met het maandblad How to Spend It. De digitale oplage is bijna 520.000, een stijging van 14 procent ten opzichte van 2014. De totale oplage (737.000) moet in 2018 naar 1 miljoen zijn gestegen.

Geruchten over een verkoop circuleerden al jaren. Dus toen ze vorige week opnieuw opdoken wuifden analisten in de City ze weg. Er was, zo meende men, geen druk vanuit de aandeelhouders te verkopen.

Maar Pearson-topman John Fallon zag dat de belangen van de uitgever, die de krant sinds 1957 bezat maar zich verder richt op publicaties voor het onderwijs, uiteen gingen lopen met die van de krant. „Je bent óf een wereldwijde educatieve uitgever óf een wereldwijde nieuwsorganisatie. Beide paarden zijn fantastisch, maar je kunt ze niet tegelijkertijd berijden”, zei hij.

Bij de krant voelde men al langer dat Pearson met tegenzin investeerde in de digitale veranderingen die zij nodig achtte om de concurrentie voor te blijven. Al sprak het hoofdcommentaar vrijdag van „een succesvol huwelijk”. De stap naar Nikkei werd „een avontuur” genoemd.