Brexit, Frexit, Nexit

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Wat is Brexit nou weer?” verzuchtte iemand in mijn omgeving, toen dit woord vorige week opdook in een kop in deze krant. Het antwoord stond vanzelfsprekend in het stuk zelf: de exit van Groot-Brittannië uit de Europese Unie. Opeens zou die, zo meldde het artikel, ook onder linkse politici bespreekbaar zijn.

Waren we eindelijk gewend aan Grexit – dat die wel/niet of niet/wel doorgaat – kondigt zich alweer een nieuwe exit aan.

Samentrekkingen met exit zijn duidelijk in de mode. Toen koningin Beatrix begin 2013 haar abdicatie bekendmaakte, werden er op Twitter meteen twee zogenoemde hashtags voor bedacht – twee kernwoorden om de bijdragen in de discussies samen te brengen: #BEAexit en #Trixit. Van BEAexit is daarna niet veel meer vernomen, maar Trixit werd per omgaande geadopteerd door de traditionele media.

Trixit liftte mee op het succes van Grexit, dat een jaar eerder was gelanceerd. Volgens Wikipedia debuteerde Grexit op 6 februari 2012; het is bedacht door Willem H. Buiter en Ebrahim Rahbari, beiden werkzaam als analist bij Citigroup. Overigens is Buiter van oorsprong een Nederlander.

Een van de redenen waarom Griekenland nog altijd steun krijgt, is dat Europese leiders bang zijn voor het domino-effect. Als Griekenland door een faillissement z’n schulden niet hoeft te betalen, wat gaat bijvoorbeeld Spanje dan doen? Komt er ook een Spexit?

Ik verzin dit woord niet zelf – het is op websites al duizenden keren gebruikt. Grexit, Spexit, Brexit, het patroon is duidelijk: voor ieder Europees land dat de komende jaren uit de Europese Unie dreigt te verdwijnen, zullen samentrekkingen worden verzonnen die beginnen met de eerste letters van de landnaam en die eindigen met -(e)xit. Bexit (België), Frexit (Frankrijk), Luxit (Luxemburg), Nexit (Nederland), iedereen kan ze verzinnen.

Inmiddels ben ik zo gewend aan Grexit dat ik het woord enigszins te pruimen vind, maar Spexit en Brexit vind ik spuuglelijk. De vraag is natuurlijk of je dergelijke porte-manteauwoorden, zoals ze officieel heten, werkelijk nodig hebt. Koppenmakers zijn er dol op, maar je zou ze ook kunnen vermijden.

De afgelopen twee weken schreef ik hier over woorden die aan het verouderen zijn. Daar kwamen veel reacties op – onder meer met de mededeling dat het met de onbekendheid van het woord viltstift wel meevalt. Twee aanvullingen over andere woorden wil ik u niet onthouden. Zo schreef een vrouw: „Als ik de laatste jaren bij de drogist naar eyepads vraag, word ik verwezen naar een elektronicawinkel voor een iPad. Ik moet nu voluit naar eye makeup remover pads vragen, anders word ik niet begrepen. Best curieus, eyepads zijn er al veel langer dan iPads.”

En iemand uit Arnhem schreef: „Ik had rubber laarzen nodig voor het werk in de tuin en ging naar een schoenenwinkel en vroeg daar om kaplaarzen. Het antwoord was: die verkopen wij niet. Vervolgens ging ik naar een andere schoenenwinkel – van een grote keten. Zelfde vraag, zelfde antwoord. Pas toen ik de kaplaars omschreef, ging er bij het personeel een lichtje op. Ja, ze hadden wel regenlaarzen. Kaplaars lijkt mij dus, in elk geval in Arnhem, een vergeten woord.”