Aluminium, olie, maïs: alle prijzen dalen

Veel grondstoffenprijzen gaan hard onderuit. Toeval? Niet helemaal.

Als de prijzen van olie of goud sterk dalen of stijgen, komen ze onmiddellijk in het nieuws. Maar zulke blikvangers zijn de meeste andere grondstoffen niet. Dat verandert, nu de prijzen van vrijwel alle grondstoffen tegelijkertijd kelderen. Van koper tot maïs en aluminium. Van soya tot zilver en suiker. De grootste dalingen van grondstoffenprijzen ooit deden zich afgelopen week voor: de grondstoffenindex van Bloomberg ging 4,4 procent onderuit. Ten opzichte van begin dit jaar verloren grondstoffen over de hele linie 10,2 procent. En vergeleken met de prijspiek van de zomer van 2008, kort vóór de Lehman-crisis, zijn de prijzen 60 procent lager.

De gevolgen zijn groot: producenten lijden, met name veel ontwikkelingslanden en opkomende landen als Brazilië en Rusland. De koopkracht verschuift naar vooral Westerse consumenten. Dat lijkt gunstig, maar ook de lage inflatie in Westerse landen, al langer een probleem, loopt nu kans voort te duren.

Bedrijven in de sector moeten bloeden. Gisteren meldde Anglo American, een van de grootste mijnbouwbedrijven ter wereld, dat het 53.000 banen schrapt – deels door verkoop van activiteiten. Over de eerste helft van dit jaar verloor het concern 3 miljard dollar. Oliemaatschappijen stoppen winningsplannen in de ijskast.

Olie versus schaliegas

Maar waarom dalen grondstoffen zo hard, en waarom allemaal tegelijk? Dat is grotendeels toeval, maar niet helemaal. Veel agrarische producten hebben te maken met goede of beter dan verwachte oogsten, die de prijzen drukken. Olie staat al sinds een jaar onder druk door een offensief van Saoedi-Arabië. Dat probeert met een hoge productie de olieprijs zo laag te krijgen dat Amerikaanse schalie-producenten onrendabel worden en uit de markt worden gedrukt. Die schalie-producenten blijken weerbarstiger dan gedacht en pompen door.

Goud leidt een eigen leven. Het sloot vorige week op 1.099 dollar per troy ounce (31,1 gram) en kwam zo terecht op de laagste prijs sinds begin 2010. De sterke dollar speelt goud traditioneel parten, maar ook het leeglopen van een speculatie-bel: handelaren hadden verwacht dat de centrale bank van China de afgelopen zes jaar zo’n 2.500 ton goud had opgekocht om zijn financiële reserves mee te versterken. Dat bleek vorige week een mythe, toen de Chinese autoriteiten meldden dat 600 ton was gekocht – een kwart van wat was gedacht. De bodem viel daarna onder goudprijs weg.

China speelde ook de hoofdrol bij de prijsstijging van metalen sinds het begin van de eeuw. IJzer, koper, aluminium: de razendsnelle opbouw van de Chinese infrastructuur en woningmarkt zorgde voor een ongekende toename van de vraag. Mijnbedrijven, zeker ook in China zelf, investeerden daarop volop in nieuwe capaciteit. Maar het duurt jaren voor de nieuwe productie op gang komt. En nét nu dat gebeurt, vertraagt de Chinese economie flink en valt de vraag weg.

Vrijdag bleek dat de inkoopmanagersindex van China onder de 50 punten zakte, wat een krimp van de productie suggereert – niemand gelooft de officiële Chinese statistieken meer. Vanmorgen zakte de beurs van Shanghai, ondanks draconische steunmaatregelen, met 8,5 procent. Het effect op de grondstoffenprijzen is desastreus – zie de ingreep van Anglo American.

Verschillende markten, verschillende oorzaken dus. Maar er zijn factoren die alle verbinden. De eerste is de algemene toestand van de wereldeconomie, die aardig wordt weerspiegeld in het verloop van de Bloomberg Commodity-index, maar ook in andere bekende indices zoals die van het Amerikaanse CRB en zakenbank Goldman Sachs; een huizenhoge piek tot en met de zomer van 2008, een stuitertje in 2010 en daarna een periode van tam economisch herstel.

De tweede verbindende factor is speculatie. Tot ruim tien jaar geleden was de grondstoffenmarkt goeddeels ontoegankelijk voor particuliere beleggers. De opkomst van exchange-traded funds (ETF’s) veranderde dat. Deze beleggingsfondsen bootsen de prijzen na van goud, olie of welke grondstof dan ook. Dat doen ze door allerlei slimme financiële constructies, maar ze kopen met termijncontracten de grondstoffen ook daadwerkelijk in. In 2004 werd de eerste goud-ETF gelanceerd, in 2006 volgde onder meer de eerste olie-ETF. Miljarden nieuwe euro’s en dollars stroomden plots de grondstoffenmarkt in en dreven de prijzen op. Ziedaar de piek van 2008. Inmiddels zit er voor 120 miljard dollar in dergelijke fondsen, maar dat stroomt er even makkelijk weer uit. Het resultaat is een wispelturiger markt. En ook al heeft elke grondstof z’n eigen verhaal, aan deze nieuwe hijgerigheid ontkomen ze geen van alle.