Sharon en haar dagelijkse kwelgeest

Zwemster Sharon van Rouwendaal, favoriet bij de WK deze week in Kazan, voelt zich sterk door het spartaanse regime van haar trainer Philippe Lucas in Narbonne. „Soms denk ik tijdens het zwemmen dat ik doodga.”

Sharon van Rouwendaal bij een training in Narbonne onder leiding van Philippe Lucas. „Laatst moest ik van hem tien keer 250 meter zwemmen. Na de zevende keer zei hij: ‘Stop maar, begin maar opnieuw.’” Foto ROBIN VAN LONKHUIJSEN/ANP

Links kakelende huisvrouwen met zwemplankjes, rechts gillende kinderen die bommetjes maken. In baan 6 van het vijftigmeterbad van l’Espace de Liberté, een afbladderend betonnen zwemparadijs op een rommelig industrieterrein in Narbonne, zwemt Sharon van Rouwendaal stoïcijns verder: na het inzwemmen (400 meter) komen de gruwelsetjes die haar coach deze snikhete middag heeft bedacht: 188 baantjes, of 9,4 kilometer, verdeeld over zestien series van 100 meter, vier sprints „om warm te worden”, en tenslotte zes keer 1.200 meter – afwisselend borstcrawl en vlinderslag. „Die vlinder om het nog wat zwaarder te maken”, zal ze naderhand uitleggen.

De andere zes zwemmers uit het trainingsgroepje hebben al lang de schaduw opgezocht als Van Rouwendaal zich afzet voor haar laatste kilometers. Zittend op een startblok kijkt haar coach nors en zwijgend toe, een stopwatch in elke hand. Dit is haar dagelijkse kwelgeest, Philippe Lucas (52): lange grijze haren, donkere zonnebril, zijn gebruinde lijf behangen met een imposante hoeveelheid armbanden, oorbellen en zware kettingen. „Sharon kaputt”, lacht hij cynisch. „Ze haat warm water.” En ’s ochtends had ze ook al tien kilometer gezwommen.

Alleen voor Lucas

Eigenlijk is Narbonne, een slaperig stadje in Zuid-Frankrijk, dodelijk saai, verzucht Van Rouwendaal (21) als ze uit het bad is geklommen. Ze is hier alleen voor Lucas, de voormalige coach van grote kampioenen als Laure Manaudou, Therese Alshammar en Federica Pellegrini. Het spartaanse trainingsregime van de excentrieke coach – ze zwemt ruim negentig kilometer per week – steekt schril af bij de ‘lichte’ programma’s die Jacco Verhaeren en Marcel Wouda haar voorschreven. „Bij Jacco zwom ik tot veertig kilometer per week, heel veel op techniek, starten, keren, rustig zwemmen. Bij Marcel was het al beter. Mocht ik tot zestig kilometer per week zwemmen, af en toe zelfs een stukje hard.”

Dat is wat ze in Eindhoven miste, zeker toen haar prestaties achteruit gingen. In haar jeugd – haar ouders emigreerden naar Frankrijk toen ze acht was – was ze gewend geraakt aan de enorme trainingsomvang in het land. Toen ze zich in 2013 niet plaatste voor de WK in Barcelona keerde ze terug naar Frankrijk.

De verschillen tussen beide medaillefabrieken zijn reusachtig. ‘Narbonne’ is een ouderwetse klotsbak vergeleken met het overdekte hightech zwemlaboratorium in Eindhoven. Hier zwem je buiten, ook als het vriest. Van Rouwendaal: „Afgelopen winter had ik bevroren druppels op mijn zwembril toen ik op mijn rug had gezwommen. De faciliteiten zijn vaak slecht in Frankrijk. Voor wedstrijden moet je vaak inzwemmen in een pierebadje. Maar dat went.”

Anders dan in Eindhoven zijn hier nergens computers, intelligente startblokken of onderwatercamera’s – en zeker geen wetenschappers langs de badrand. De hoofdcoach in Narbonne heeft geen e-mail. „Philippe doet alles uit zijn hoofd. Na het inzwemmen bepaalt hij hoeveel ik moet zwemmen, ik schrijf het altijd op. Vraag ik aan hem hoeveel ik die week heb gezwommen, zegt hij: 92,3 kilometer. Klopt altijd.”

Lucas’ trainingsmethodiek is gebaseerd op omvang, kilometers maken in plaats van op lactaatmetingen, zoals de beroemde school van Verhaeren. „Uit mijn lactaatmetingen in Nederland werd bijna altijd geconcludeerd dat mijn motor te klein was, dat ik rustiger moest zwemmen”, zucht Van Rouwendaal. „Voor mijn gevoel moest ik juist veel meer zwemmen, en veel harder.”

Haar hele leven is erop ingericht: zwemmen, eten, slapen, krachttraining, zwemmen, eten slapen. Een uitstapje is een bezoek aan de fysiotherapeut in Perpignan, zeventig kilometer naar het zuiden. Ze woont in een kleine studio, in een buitenwijk van Narbonne. Ideaal is het niet. „Ik woon en slaap in mijn keuken”, zegt ze. Op het balkon haar konijn Valentijn („mijn vriend”), in een hok op een zitbank die niet in kamer past. Pal naast haar eettafeltje staat een bed dat ze heeft behangen met medailles. „Dan kan ik zien waar ik het allemaal voor doe.”

Sinds haar verhuizing, twee jaar geleden, mist Van Rouwendaal zelden het podium. „Al die kilometers geven me zelfvertrouwen”, zegt ze. „Vierhonderd meter zwemmen is niet veel meer als je dat op de training twintig keer zwemt. Dan zegt Philippe tegen mij: ‘Welke zwemmers kunnen dat aan? Manaudou kon dat niet, Pellegrini houdt het ook niet vol.’ Dan denk ik: het is goed. Ik voel nu van binnenuit dat ik heel sterk ben.”

Twitteren wat ze heeft gezwommen

Soms vraagt Lucas haar even te twitteren wat ze die dag allemaal heeft gezwommen. „Volgens hem gaan de openwaterzwemsters helemaal kapot als ze lezen dat ik zes keer 1.500 meter heb gezwommen. Dat is een hel. Soms denk ik tijdens het zwemmen dat ik doodga. Maar ik kan daar toch altijd overheen komen. Overtraind? Wat is dat – dat je een beetje moe bent? Dat zit voor al in je hoofd, denk ik.”

Misschien is dat het grote verschil met de zwemmers in Nederland. „Daar vinden ze sprinten vaak makkelijker, omdat ze dan niet zo veel hoeven te trainen. Met sprinten kun je de estafette doen, dat is de kortste weg naar een medaille.”

Van Rouwendaal geniet juist van de eindeloze uren onder water, de kilometers die haar onbreekbaar maken. Die hardheid heeft ze van haar vader, denkt ze. „Hij was bouwvakker. Twee maanden geleden sneed hij met zijn elektrische zaag zijn hele arm open. Overal bloed. Loopt hij naar iemand toe, zegt ie: ‘Heb je misschien een touwtje om het af te binden?’ Normale mensen vallen flauw. Een dag na de operatie van vijf uur wilde hij alweer knutselen. Dat harde heb ik ook. Ik denk nooit: ik ben kapot.”

Was haar coach maar wat vaker opbeurend. Inmiddels is Van Rouwendaal wel gewend aan „de spelletjes” die Lucas met haar speelt. Toch schrikt ze soms, als hij weer eens vindt dat ze te langzaam zwemt. „Laatst moest ik van hem tien keer 250 meter zwemmen. Na de zevende keer zei hij ineens: ‘Stop maar, begin maar opnieuw.’ Dat doe ik dan maar. Zegt ie: ‘Ik weet niet of ik met je mee ga naar Kazan. Je hebt nooit een WK-medaille gehaald, zo goed ben je niet.’”

In maart van dit jaar had hij zich ook al laten gaan, de dag dat bekend werd dat zwemster Camille Muffat met een aantal andere Franse topsporters was omgekomen bij een helikoptercrash in Argentinië. Van Rouwendaal: „We waren allemaal gestresst. Mijn hoofd stond helemaal niet naar trainen. Ineens haalde hij me uit het water en zei: ‘Stop maar, dit is niks. Je stelt me al maanden teleur, ik dacht dat ik een kampioen in mijn groep had.’”

Ze heeft leren leven met die buien. Lucas is een man met een gebruiksaanwijzing. „Als hij zegt dat ik maar niet meer terug moet komen, is dat een test”, weet Van Rouwendaal inmiddels. „Dus sta ik er ’s middags gewoon weer. Alleen de dag voor een wedstrijd hemelt hij me helemaal op. Dan wil hij bijna mijn tas dragen.”

Naar een koraalrif geduwd

Ach, het hoort bij Narbonne. Van Rouwendaal is hier om olympisch kampioen te worden. Dankzij Lucas werd haar talent op de tien kilometer in open water blootgelegd, een olympisch nummer. Al in haar tweede race, vorig jaar, werd ze Europees kampioen. In Kazan hoort ze komende week bij de favorieten. „Ik vind het open water heel leuk, maar moest wel wennen. Je krijgt vaak klappen, ze proberen je onder water te duwen, of naar een koraalrif, laatst in Mexico. Als je echt goed bent moet je voorop zwemmen.”

Een wereld van nijd ook. Neem collega Coralie Codevelle, die in haar trainingsgroep zit. Na Van Rouwendaals uiterst succesvolle EK in Berlijn, vorig jaar, suggereerde de Française dat er „dopage” in het spel was. „Als ze over mij roddelen vind ik dat prima, maar niet over doping. Dat vind ik gevaarlijk. Ik ben naar Philippe gegaan. De volgende ochtend heeft hij haar keihard aangepakt. Ze heeft nooit sorry gezegd, ze heeft een maand niet tegen me gepraat. Jaloezie is een goed teken: je wint iets wat zij ook wil.”

Na de training schuift ze aan in het restaurant naast het zwembad, Les Grands Buffets. Ze eet dagelijks gratis mee met het personeel. „Dat is mijn sociale leven, van kwart over zes tot zeven uur. In het weekend zit ik meestal thuis. Series kijken. Ik hou wel van alleen zijn. Ik mis alleen mijn ouders en mijn zus. Als ik me eenzaam of verdrietig voel ga ik wel eens uit, drink ik een paar wijntjes. Ze zien hier nooit blonde vrouwen, dus als ik hier een café binnenga voel ik me in één keer goed. Van Philippe mag ik elke dag uit, als ik op de training maar in vorm ben.”