Roodbuikmaki. CHECK

Dertig jaar later bezoekt schrijver Aukelien Weverling de pretparken van haar jeugd. Wat blijft er van over door volwassen ogen? En hoe beleeft de achtjarige Rafael ze nu? Vandaag: de Apenheul.

Foto Niels Blekemolen

‘Kunnen apen bijten?” wilde mijn broer weten. Ja, zei mijn moeder geconcentreerd, „apen kunnen bijten”. Het was vakantie en druk op de weg. „Harder dan een hond?”, vroeg mijn broer. „Wat voor hond?”, informeerde mijn moeder. „Een bouvier.” „Ik weet het niet zeker, maar ik denk het wel”, antwoordde ze. „Maar hoe krijg je die apen van je af, als je niet wilt dat ze op je hoofd zitten?” vroeg ik ongerust. „Die krijg je niet van je af, Aukje, apen zijn verschrikkelijk sterk.” En zo stond ik nog geen twee uur later verstijfd van angst met een aap op mijn schouder. Toch herinner ik me de Apenheul als een blije plek, want toen het dier eenmaal van me af gesprongen was, voelde ik me eindeloos bijzonder. Ik had een aap op mijn schouder gehad, daar zouden ze op school wel van opkijken.

Dertig jaar later ben ik terug in de Apenheul. Het is 25 graden en de zon schittert tussen de bladeren door. „Oe, oe, oe, oe”, doet Raf terwijl hij voor een rode vari staat. Het halfaapje doet niks terug. De Apenheul is een park waar beesten zichzelf mogen zijn. Een groepje ringstaartmaki’s steekt nonchalant het pad over naar het nabijgelegen gras.

Het park is ontstaan toen Wim Mager twee aapjes kocht in de dierenwinkel. Dat mocht toen nog. De twee aapjes kregen jongen en die kregen weer jongen en die kregen weer jongen, en die… nou goed. De pret was zeg maar ook toen al niet geheel voorbehouden aan het publiek. Meneer Mager begreep dat hij zijn werk moest opgeven om zijn leven geheel aan zijn apen te wijden en in 1971 begon hij met het idee van loslopende apen, tegenwoordig bezoeken primatologen vanuit de hele wereld de Apenheul om te zien hoe dat eraan toegaat.

Alles wat in het park gebeurt, is vrolijk en vriendelijk. Apen spelen met hun schaduwen en rennen achter elkaar en soms achter jou aan. Het is een prachtige wandeling tussen de bomen door.

Het enige wat deze idylle soms ruw verstoort, is het luide „CHECK!” wat betekent dat Raf een van de apen heeft gespot die op een blaadje staan aangegeven dat hij bij binnenkomst kreeg. Net als talloze musea heeft de Apenheul een speciaal trucje om de aandacht van de kinderen vast te houden en eigenlijk werkt het averechts. Raf is een boodschappenlijst aan het afwerken: Roodbuikmaki, „CHECK”, rode titi, „CHECK”, rode brulaap, springtamarin „CHECK”, „CHECK!”

„Kijk nou eens echt naar de apen, joh”, probeer ik. „Hoeft niet, ik heb ze op dit blaadje.” Raf heeft geen tijd voor gelanterfant onder het bladerdak, hij is zijn lijst aan het afwerken. Als we uiteindelijk voorbij de gorilla’s zijn, zucht hij opgelucht: „Zo, da’s eindelijk klaar. Ik lust wel een ijsje.” Terwijl we likken aan softijs, vraagt Rafael: „Zouden we nog terugkunnen, want ik zou nog wel graag even naar die aapjes in het begin gaan, die op je klimmen.” Ik knik: „Doodshoofdaapjes. Die zijn ontzettend leuk. Maar, ze kunnen wel keihard bijten. Harder dan een bouvier.”