‘Rock-’n-roll is een abnormaal verschijnsel’

De rockrage was halverwege de jaren vijftig nit te weerstaan voor de jeugd. Ouderen probeerden haar te temmen met brave en opgewekte liedjes.

Bill Haley & His Comets in Londen, 1957. Foto ANP

De burgemeester van Gouda hield zijn hart vast, in oktober 1956. De plaatselijke bioscoop zou Rock around the clock vertonen, de film waarin rockpionier Bill Haley en zijn Comets lieten horen hoe opwindend die nieuwe muziekstroming kon klinken. En hoe daarbij een energieke jive moest worden gedanst. De kranten hadden in de voorgaande maanden menigmaal gemeld dat jeugdige bioscoopbezoekers in diverse Europese landen niet in staat waren geweest op hun stoelen te blijven zitten. Ze hadden gedanst in het middenpad en waren hier en daar zelfs op het meubilair geklauterd. Niet voor niets was de film in Apeldoorn al verboden. In Gouda werd echter besloten tot een compromis: de film mocht wel worden vertoond, maar zonder geluid. Zodat het eenvoudige verhaaltje via de ondertitels kon worden gevolgd, terwijl het prikkelende effect van de muziek zou worden vermeden.

Maar tijdens de eerste, geluidloze voorstelling klonk hevig protest uit de zaal: „Harder! Harder!” Waarop burgemeester K.F.O. James alsnog besloot vanaf de tweede voorstelling ook het geluid toe te staan. Dat bracht de gemoederen tot bedaren. Van opstootjes was hier verder geen sprake meer. Drie maanden later mocht de film ook in Apeldoorn draaien.

Niettemin bleef Bill Haley in eigen persoon nog lange tijd onwelkom in Nederland. Toen hij in 1958 met zijn Comets door België toerde, lukte het geen enkele impresario een Nederlandse zaal voor de Amerikaanse rocksensatie te vinden. „Een optreden van Bill Haley was niet te verkopen in Nederland”, beaamt Tonny Eyk die destijds met zijn zus een populair accordeonduo vormde dat tijdens die Belgische tournee in het voorprogramma stond.

Halverwege de jaren vijftig sijpelden uit Amerika de eerste berichten over de rockrage door. Er was een nieuw muziekgenre ontstaan uit een combinatie van blues, boogiewoogie, country en swing, die in al zijn eenvoud een onweerstaanbaar effect op jongeren had. De volwassen generatie die de media destijds beheerste, had er geen goed woord voor over. De Telegraaf liet een anonieme „jazz-expert” aan het woord, die de rock typeerde als „primitieve muziek”, en daaraan honend toevoegde: „Elvis Presley, Bill Haley en andere muzikale charlatans, die nauwelijks een behoorlijk geluid uit hun instrument kunnen krijgen, verdienen er schatten mee”. In het damesblad Libelle werd Presley beschreven als „een uitgekookte herrieschopper, die al schreeuwend en kronkelend een prettig banksaldo bij elkaar rock-and-rollt”. Simon Carmiggelt, de eminente columnist van Het Parool, bespotte „de heupse zangprestaties van dit smoezelig fenomeen”. En de prominente cabaretproducer Wim Ibo schreef in diezelfde krant sussend over „een abnormaal verschijnsel van voorbijgaande aard”. Geen wonder dat deze bevlieging meteen een dankbaar onderwerp voor humoristen werd. Zo liet de graag geziene conferencier Cees de Lange in 1957 heel Nederland meezingen met de komisch bedoelde regels: „Sara, je rok zakt af – moeder, het is m'n rol!”

De eerste echte Nederlandse rockers waren voornamelijk afkomstig uit voormalig Nederlands-Indië, waar de gitaar altijd al veel meer de toon had bepaald dan in Nederland. De meeste aandacht ging uit naar The Tielman Brothers. „Absolute wereldklasse, tien keer zo goed als Bill Haley”, aldus Tonny Eyk. Hun single Rock little baby of mine uit de zomer van 1958 verscheen alleen in België, maar wordt door kenners toch gezien als de eerste Nederlandse rockplaat aller tijden – anderhalf jaar vóór Kom van dat dak af van Peter Koelewijn en zijn Rockets. Maar de veertigersgeneratie bleef zulk spektakel nog lang met afkeer bezien. Toen de gebroeders Tielman in januari 1960 optraden in de door Johnny Kraaykamp gepresenteerde Weekend Show van de AVRO, foeterde de tv-recensent van het Nieuwsblad van het Noorden: „Wat The Tielman Brothers aan luidruchtige ritmiek en visuele onzin produceren, tartte elke beschrijving”.

Tegen die tijd had de eveneens door veertigers en vijftigers geleide muziekindustrie al een manier gevonden om die uit de hand gelopen rock-’n-roll te vervangen door iets beschaafders. Dat de jeugd zich ook qua leeftijd wilde herkennen in de artiesten, stond inmiddels wel vast. De oplossing lag bij tienersterren, die door de gevestigde producers werden begeleid in het zingen van opgewekte, ongevaarlijke liedjes. Volgens die methode hadden de Amerikaanse platenbazen Elvis Presley onder controle gekregen, terwijl ook Cliff Richard in Engeland allang geen rocker meer was. Nederland kreeg Willeke Alberti, Ria Valk, Anneke Grönloh, Rob de Nijs en The Blue Diamonds die gehoorzaam zongen wat door een vijftigjarige producer werd opgedragen. Met als gevolg dat de echte, ruige rock al na enkele jaren goeddeels uit de running raakte.

Ook de tienersterrentijd heeft trouwens maar een paar jaar geduurd. Met de opkomst van The Beatles en The Rolling Stones, die zelf bepaalden wat ze speelden en het ook vaak zelf schreven, zat er voor de platenmaatschappijen niets anders meer op dan de productie van popmuziek – zoals het genre allengs ging heten – aan de nieuwe generatie over te laten.

In 1966, tien jaar na de bioscoopophef, trad Bill Haley toch nog op in Nederland. Wat hij speelde, klonk toen al ouderwets.