Ras is een idee van de menselijke geest

Ras is vaak misbruikt voor verdrukking, maar het bestaat niet. Scherpe grenzen tussen mensen zijn niet te trekken, uiterlijke kenmerken vallen niet samen, schrijft Machteld Roede.

Emoticons in WhatsApp. Sinds vorige maand zijn er per symbool zes verschillende huidskleuren te kiezen.

Politiegeweld, Charleston, Confederatievlaggen en de boeken van Harper Lee en Ta-Nehisi Coates richten de aandacht op racisme en rassenproblemen in Amerika en Nederland. Maar al sinds 1950 is vastgesteld dat er geen scherp gescheiden rassen bestaan. Biologisch gezien bestaan rassen niet.

Mensen planten zich over de hele wereld onderling voort, we vormen dus één soort. Maar ons uiterlijk kan extreem verschillen. De donkere medemens werd vernederd en misbruikt, maar niet altijd. Er waren zwarte farao’s en in de twaalfde tot vijftiende eeuw waren zwarten geliefd bij de christenen. De koningin van Sheba was zwart, de zwarte Caspar, een van de drie wijzen uit het Oosten, werd in de mooiste gewaden geschilderd.

Toen kantelde de beeldvorming. De rationalisatie dat ongelijkheid door God gegeven was rechtvaardigde het kolonialisme en de slavenhandel. Het Genesis-vers dat Cham – die zijn dronken vader Noach onbedekt had gezien – vervloekt, evenals zijn zoon Kanaän en zijn donkere nakomelingen, ondersteunde de overtuiging van slavenhandelaars, rechters en zending en missie dat de Afrikaanse slaven inferieure wezens waren.

Petrus Camper, de Nederlands arts en antropoloog tijdens de Verlichting, stelde echter dat ook zwarten mensen waren, nauw verwant aan blanken, en niet ontstaan uit kruisingen tussen mens en orang-oetang, zoals velen dachten. Linnaeus verdeelde de mensheid in vier variëteiten, anderen kwamen met 2 tot 5, tot 30 of 400 rassen. Maar meestal werd Cuviers driedeling Kaukasisch, Negroïde en Mongoloïde gebruikt, later Europees, Afrikaans en Aziatisch genoemd. Zonder een verdeling in superieur of inferieur.

Pas midden negentiende eeuw werd een raciale hiërarchie gepresenteerd, met de blanke mens bovenaan. Hiermee liep het academische discours een paar eeuwen achter het koloniale superioriteitsdenken aan, maar de beschreven rangorde versterkte de maatschappelijke praktijk. In 1898 construeerde Ernst Haeckel een stamboom met Indo-Germanen hoog in de kruin geplaatst, en Afrikanen laag bij de grond, niet ver van protomensen en aapmensen. Velen namen dit over.

Arthur de Gobineau bedacht edele blanke ariërs die zich 4000 v. Chr. met andere volken vermengden, hetgeen hun ondergang inzette. De blonde volkeren uit het noorden, de „arische” Germanen, toonden nog een rest van het aristocratische ras; Slaven en Kelten waren al minder superieur. Hij had geen anti-Joodse gevoelens, in tegenstelling tot de tot Duitser genaturaliseerde Engelsman H.S. Chamberlain, de wegbereider van Hitlers wanen over superieure en inferieure rassen. De Gobineau en Chamberlain construeerden hun idealen op mythologische bronnen en verzonnen bewijsmateriaal.

In Duitsland omarmden de nazi’s de antisemitische rassenideologie van Chamberlain. Hitler noemde in Mein Kampf ook de eugenetica. Die was aanvankelijk gericht op het bestrijden van armoe en ziekten, en wilde paupers en niet-gezonden verbieden zich voort te planten, maar later op rassenhygiëne: het uitsluiten van minderwaardige rassen. Zoals de Joden, waarmee niet-Joden geen kinderen moesten krijgen, hoewel volgens de Nederlandse eugenetica Marianne van Herwerden in Berlijn 44 procent van de huwelijken Joods-Arisch was, in Hamburg zelfs 60 procent. Om het Germaanse ras zuiver te houden werd de verwijdering van „ongewenste elementen” (Joden, Sinti en Roma, geesteszieken, paupers, Slaven, homoseksuelen en vrijmetselaars) een speerpunt van het nationaal-socialisme.

Het is te weinig bekend dat het naziregime – omdat elders de wetenschappelijke basis werd ontkend – Duitse antropologen onder druk zette om hun publicaties te herschrijven teneinde een pseudowetenschappelijke basis te geven aan de rassenideologie. Ze lieten zich daartoe corrumperen. De internationaal toonaangevende Duitse antropoloog Rudolf Martin weigerde aan het wetenschappelijk wangedrag mee te werken, maar één van de vervalsers was de Duitse antropologe Ilse Schwidetzky (1907-1997). Toen ik tijdens een congres vroeg of ze niet had geaarzeld om haar oorspronkelijke werk te vervalsen, antwoordde ze: „Ik had een jong gezin; ik had geld nodig.” De naoorlogse bewerking van Martins standaardwerk noemt het hoofdstuk over de geschiedenis van de Duitse antropologie „treurig” en keurt de nazimedeplichtigheid van Duitse antropologen af, maar namen werden niet genoemd.

Tijdens de oorlog speelden bij de nazi’s rassenideologie en antisemitisme door elkaar. Antisemitisme komt al vanaf de Oudheid voor, maar zij voegden hieraan een vermeend biologische motivering toe. Joden werden tot de onderkant van de maatschappij verklaard, tot een parasitair ras.

In Nederland groeide de aversie tegen de rasdoctrines van de oosterburen. J.A.J. Barge en Adèle van Bork-Feltkamp namen scherp afstand van de nationaal-socialistische tendensen. Toen Cleveringa tijdens de bezetting op 26 november 1940 in Leiden zijn protestrede hield, gaf Barge tegelijkertijd een college over de onwetenschappelijk onzin van de nazi-rassenleer. Er bestond geen homogeen Germaans superras, de zogenaamd zuivere ariërs waren een mengeling van uiteenlopende oorsprong. Ook een Nederlands ras bestond niet, noch een Joods ras.

In het Anatomisch Laboratorium te Amsterdam bepaalde hoogleraar en fysisch antropoloog Arie de Froe bij honderden Asjkenazische en Sefardische Joden ruim dertig afmetingen van hoofd en lichaam en ook oog- en haarkleur. Alles werd samengevat in attesten en het Portugezenrapport van 1943. C.U. Ariëns Kappers ondertekende de ‘niet-Joods’, of ‘niet-vol-Joods’ verklaringen. Ook in het Koloniaal Instituut stelden H.J.T. Bijlmer en Van Bork-Feltkamp gefingeerde antropologische attesten op. De Froe was geen Stapel avant la lettre, zijn gesjoemel was niet frauduleus. Hij gaf toe wel wat te hebben weggelaten. Tegen Presser zei De Froe: „Alles is waar wat er staat. Laat ik liever zeggen, het is niet onwaar.” Maar dat is wat anders dan frauderen met verzonnen onderzoekcijfers en proefpersonen om te scoren op de publicatielijsten.

Men moet vroegere handelingen niet alleen naar huidige maatstaven beoordelen, maar ook naar toenmalige ideeën en standaarden. Dat door de bezetting en het verzet andere regels heersten, moet worden verdisconteerd in het antwoord op de vraag of en in hoeverre De Froes attesten ethisch verantwoord waren. Door de naziregels te trotseren en levens te redden heeft hij de grenzen van wetenschappelijke integriteit niet overschreden, evenmin als Ariëns Kappers, Van Bork-Feltkamp of Bijlmer.

Na de oorlog werd het besmette begrip ras taboe. Bovendien werd steeds duidelijker dat nergens scherpe grenzen zijn te trekken tussen mensen uit aangrenzende populaties, dat Afrikanen onderling meer van elkaar verschillen dan van Europeanen. Ook de verspreiding van kenmerken valt niet altijd samen. Zo toont de verdeling van bloedgroepen (volgens het AB0-bloedgroepensysteem) een oost-west-, maar die van huidskleur een noord-zuidgradiënt. Melanesiërs en kinderen van aborigines zijn meer dan eens blond.

De Unesco verwierp in 1950 het concept ras. Nieuwe DNA-technieken maakten in 1972 duidelijk dat 94 procent van de variatie voorkomt binnen de zogenaamde raciale groepen en dat geografisch gescheiden groepen weinig van elkaar verschillen. In 1975 stelden dertig Europese vakgenoten dat ras geen biologische significantie heeft. In 1998 hield ook de American Anthropological Association het begrip ras voor gezien. Steeds meer blijkt hoe homogeen we zijn. De grootste somatische verschillen zijn die tussen mannen en vrouwen. Rassen, dat is een waan, maar geen werkelijkheid. Het concept ras is geen product van de natuur, maar van de menselijke geest.

Het grote publiek maalt er echter niet om dat we genetisch zo eender zijn. Een afwijkend uiterlijk maakt het makkelijk om te stigmatiseren. Het maatschappelijk debat neemt de discussie over en de sociaal-culturele constructie van het begrip ras valt niet te ontkennen. Bij ons sociale handelen hanteren we vooroordelen tegen de vreemdeling. Racisme – het uitschelden, negeren, benadelen en het rechten ontnemen van mensen op grond van uiterlijkheden, dan wel op grond hiervan een voordeliger status claimen – lijkt moeilijk uit te roeien.

Weldenkenden kunnen zich inzetten om de mentale en fysieke pijn die velen hierdoor ondergaan te verminderen. Charles Groenhuijsen stelt in zijn uitstekende stuk over het opnieuw oplaaiende racisme in Amerika (NRC 21.07) dat je blanken niet van alles de schuld kunt geven, en besluit dat het recht op gelijkheid niet vanzelf komt, maar dat het de plicht van elke burger is zich hiervoor in te spannen. Het besef dat rassen biologisch gezien niet bestaan kan dit ondersteunen.