Eerst gaan de Noren, dan volgt de rest

De ‘Hollandse ziekte’ inspireerde Noorwegen om oliegeld wél apart te zetten. Met 810 miljard euro in kas is het Norges Bank nu een van de invloedrijkste beleggers wereldwijd.

Noorwegen is de zevende olie-producent van de wereld. Die olie wordt bijvoorbeeld naar boven gehaald in Ølensvåg, door booreiland Scarabeo 8. Foto Kristian Helgessen/Bloomberg

Per dag pompt Noorwegen 1,6 miljoen vaten olie uit de grond. Een klein deel van de opbrengst zet de staat opzij en dat maakt Noren rijk. Heel rijk. Hoe rijk kan iedereen live zien op de site van Norges Bank Investment Management (NBIM) dat de oliebaten voor de ruim vijf miljoen Noren in een speciaal fonds beheert. Online loopt een teller met de actuele waarde van de Noorse miljarden-investeringen in aandelen, obligaties en vastgoed.

Een momentopname deze week: 7.202.659.310.556 NOK, omgerekend zo'n 810 miljard euro. „Die teller wordt acht keer per seconde bijgesteld”, zegt vice-topman Trond Grande in zijn werkkamer op de bovenste verdieping van de centrale bank. Die is gelegen aan Bankplassen (Bankplein) 2 in hartje Oslo. Beneden in de kantine hangen een blauwe kabeljauw, groene vuurtoren en andere nieuwe Noorse bankbiljetten die vanaf 2017 in roulatie gaan. Geen teller. Grande grapt: „We hebben er hier in het gebouw nog geen. Misschien moeten we dat maar eens doen.”

Trond Grande staat aan de top van een fonds dat een voorbeeld voor velen is. Qua duurzaam beleggen zijn de Noren toonaangevend. Het deed supermarktreus Wal-Mart al in 2006 in de ban vanwege mensenrechtenschendingen. Ter vergelijking: bij het grootste pensioenfonds van Nederland ABP duurde dat tot 2012. Het Noorse uitsluiten van tabaksbeleggingen in 2010 volgden Nederlandse voorlopers als PFZW drie jaar later.

„Wat zij doen waait over”, zegt onderzoeker Frank Wagemans van de duurzame beleggersvereniging VBDO. „Ze vervullen een wereldwijde voortrekkersrol.” Dat betekent wat voor de meest recente baanbrekende uitsluiting. In juni besloot het Noorse parlement namelijk unaniem dat ook beleggingen in kolen uit den boze zijn.

Ook in de financiële sector dwingt NBIM wereldwijd respect af als een van de grootste en machtigste beleggers. Wat begon met 46 miljard Noorse kronen in 1996 is door succesvol beleggen en het afromen van olie-inkomsten uitgegroeid tot zo’n 7.200 miljard kroon (810 miljard euro).

De Dutch Disease

NBIM bezit miljarden aan vastgoed op toplocaties: van de Champs-Elysées, tot West End en Fifth Avenue. De portefeuille met staatsobligaties is goed voor enkele honderden miljarden en reikt van Japan tot de Verenigde Staten. En dan is het fonds ook nog eens aandeelhouder bij meer dan 9.000 bedrijven. Grande: „We bezitten ongeveer 1,3 procent van alle aandelen wereldwijd en 2,5 procent van alle Europese aandelen. Dat maakt ons automatisch een van de grootste aandeelhouders bij ieder bedrijf.”

Koninklijke Olie? De Noren hebben 2,02 procent van de Shell-aandelen, goed voor 4,3 miljard dollar. In Unilever zit het voor 1,2 miljard dollar, in ING voor 1 miljard. Zo valt alleen al in Nederland een lijst van bijna 70 bedrijven te maken.

Het fonds heeft formeel als doel heeft om de Noorse rijkdom te beschermen en uit te bouwen voor toekomstige generaties. En het heeft nóg een link met Nederland, die van de Dutch Disease. Die dient namelijk als inspiratie van hoe je juist niet met je natuurlijke hulpbronnen moet omspringen.

Het begrip, in 1977 bedacht door het gezaghebbende weekblad The Economist, is vermaard onder economen. De Hollandse Ziekte ontstaat door het direct in de economie pompen van royale aardgasexportbaten. Daardoor wordt de lokale munt duur, verslechtert de concurrentiepositie en ontstaan er begrotingstekorten die je weer moet vullen met aardgas.

„Als Nederlander sta je hier altijd met 1-0 achter. Als ik bijdehand doe wrijven mijn Noorse collega's de Dutch Disease er gretig in”, vertelt onderzoeker Laurens Swinkels die zich bij NBIM richt op het investeringsbeleid. Hij kijkt of de staatsobligatiestrategie wel slim genoeg is, berekent of valuta-investeringen anders moeten.

Swinkels werkte vroeger bij vermogensbeheerder Robeco. Hij kwam 2,5 jaar geleden in Oslo terecht vanwege het werk van zijn Chinese vrouw en besloot te solliciteren bij Norges Bank Investment Management. „Het is bijzonder dat de Noren er in geslaagd zijn zo’n groot fonds op te zetten, dat het breed gedragen wordt in de samenleving en dat men de druk weerstaat om het geld meteen te pakken.”

„Politici hebben veel zelfbeheersing getoond”, zegt ook Martin Skancke prijzend. Als directeur-generaal bij het ministerie van Financiën was hij van 2006 tot 2011 verantwoordelijk voor NBIM. Scancke is tegenwoordig onafhankelijk consultant en reist de wereld over om landen te adviseren over hun inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen. Op zijn cv somt hij onder meer Azerbeidzjan, Irak, Libië, Kazachstan en Venezuela op als klanten. „Een staatsfonds is tegenwoordig erg in de mode. Het hoort erbij, net als een nationale luchtvaartmaatschappij.”

Helaas, voegt Skancke daaraan toe. Een fonds werkt volgens hem namelijk alleen als een land aan bepaalde voorwaarden voldoet. Een begrotingsoverschot hebben bijvoorbeeld, zoals bij Noorwegen op drie jaar na al sinds de jaren zestig het geval is.

Politieke stabiliteit en vertrouwen zijn ook een must, zegt Skancke als hij wordt herinnerd aan horrorjaar 2008. Toen speelde de kredietcrisis. Maar door verkeerde keuzes zoals extra aandelen Lehman Brothers inslaan, verloor het fonds beduidend meer dan de graadmeter waaraan het zich spiegelt. In een jaar tijd raakten de Noren 100 miljard dollar kwijt: 23 procent van de toenmalige waarde.

Maar tegelijkertijd kocht NBIM wereldwijd voor 150 miljard dollar aandelen in, vanwege de crisis voor bodemprijzen. Na een uitgebreid politiek proces was eerder namelijk besloten om de aandelenverhouding in het fonds van 40 naar 60 procent uit te breiden. Skancke: „Die aankopen waren niet mogelijk geweest zonder politiek vertrouwen in die strategie. Een dan hadden wij een grote kans gemist.”

Volgens Skancke is het cruciaal dat politici het fonds niet als speelbal gebruiken en dat het beleid niet iedere regeringsperiode verandert. „Er is een traditie van brede politieke consensus bij de beslissingen over het fonds. Die worden uiteindelijk unaniem genomen in het parlement.”

Nooit meer kolen

Zo ook de moeder der beslissingen die in juni wereldnieuws was: het terugtrekken uit koleninvesteringen. Niet alleen mag het fonds van de leden van het Noorse parlement Stortinget niet meer investeren in kolenmijnbouwbedrijven. Ook alle bedrijven die voor dertig procent of meer van hun omzet afhankelijk zijn van kolen, bijvoorbeeld omdat ze kolencentrales exploiteren, zijn vanaf 2016 off limits.

Overigens kwam die beslissing kwam niet zo gemakkelijk tot stand als het woord unaniem doet vermoeden. De rechtse Noorse minderheidsregering was lang tegen, net een door de overheid benoemde onafhankelijke commissie.

Arild Hermstad glundert als hij op een terras in Oslo vertelt over het „perfecte momentum” rond het kolenbesluit. Hermstad is leider van de ngo Framtiden i våre hender, wat ‘toekomst in onze handen’ betekent. Framtiden is de luis in de pels van NIBM sinds het in 1998 in aandelen belegt.

Onderzoek van de ngo legde in de loop der jaren bloot dat het fonds investeerde in zware milieuvervuilers en landmijn- en clustermunitieproducenten. Dat zorgde voor dermate veel politieke ophef dat het parlement besloot om een onafhankelijke ethische raad op te richten. „Ook die raad hielden we daarna aan het werk door documenten te sturen”, zegt Hermstad. Bijvoorbeeld over kolen.

Hij legt uit dat Framtiden eerst wilde dat door oliegelden opgerichte fonds volledig uit fossiele brandstoffen zou stappen, inclusief olie. „Maar twee jaar geleden beseften we ons dat we een pragmatische keuze voor kolen moesten maken. De ergste vervuilers eerst.”

Grootste ethische belegger

Framtiden bracht met Greenpeace Noorwegen en de Duitse milieuorganisatie Urgewald november vorig jaar een uitgebreid onderzoeksrapport uit over de koleninvesteringen van NBIM, Dirty & Dangerous. Vrijwel tegelijkertijd kwam een onafhankelijke overheidscommissie onder leiding van Martin Skancke met het advies om niet uit alle kolenbedrijven te stappen, maar dat soort beslissingen per bedrijf te nemen. De regering volgde die lijn.

Dat het parlement alsnog overstag ging, komt volgens Hermstad doordat Framtiden de jonge politicus Torstein Solberg van de Arbeiderspartij aan haar kant kreeg. „Onze lobbyist praatte drie keer per dag met hem.” Ieder jaar in juni bespreken de financiële experts van het parlement het fonds. „Solberg heeft toen zijn volledige spreektijd gespendeerd aan het praten over kolen.”

Daardoor tekende zich een meerderheid af voor het kolenbesluit. En vanwege de traditie van unanieme beslissingen stemden ook de ook de christen-democraten en liberalen voor. Uit berekeningen van Urgewald blijkt dat NBIM nu investeringen ter waarde van 5,4 miljard dollar in 84 bedrijven van de hand moet doen.

Het maakt van NBIM met afstand de grootste ethische belegger ter wereld. Er zijn bovendien weinig beleggers die zo onder een vergrootglas liggen als het Noorse fonds. „Het is niet dat we de hele tijd maar op de voorpagina van kranten willen staan, maar op zich is debat over het fonds goed. Uiteindelijk is het geld van de Noorse bevolking”, zegt topman Grande.

Er is alleen een probleempje. Er zit inmiddels zo veel geld in het fonds dat het steeds moeilijker wordt om genoeg investeringen te vinden. Al in 2010 werd besloten dat het fonds vijf procent van het vermogen in vastgoed moet beleggen. Ondanks aankopen in wereldsteden en een focus op logistieke investeringen (waaronder het pand van DHL op industrieterrein Vossenberg in Tilburg) is dat nu pas 2,2 procent.

„Dat komt door onze omvang. Investeren in vastgoed is arbeidsintensief. We kunnen niet zomaar blind studentenhuizen in Australië, bejaardenhuizen in Hongarije en pakhuizen in Nederland gaan kopen. Je moet wel een goede strategie hebben”, zegt Grande. En met een knipoog: „Dat is ook de reden waarom we nog niet heel Nederland hebben opgekocht.”