Van cd-vuller tot miljonair

Dell Glover, werkend in de PolyGramfabriek, stopte overdag cd’s in hoesjes om ze ’s avonds on line te zetten. Hij hielp zo een miljoenenindustrie om zeep. Zijn verhaal en dat van twee anderen staat centraal in een journalistiek jongensboek

Illustratie Enkeling

Als u jonger dan vijftig bent, is de kans groot dat u wel eens illegaal muziek heeft gedownload. Dan kent u misschien sites als Napster, Kazaa, Morpheus of AudioGalaxy, plekken waar zo makkelijk, zó veel muziek te vinden was dat de gang naar de platenzaak overbodig leek te zijn geworden.

De kans is ook groot dat u het gevoel had anoniem te werk te gaan, omdat de uitwisseling plaatsvond tussen honderdduizenden muziekliefhebbers die allemaal een stukje van hun muziekverzameling beschikbaar stelden. In elk geval: dat de muziek die u downloadde tenminste ooit wel eens door íemand op cd gekocht zou zijn.

Een van de verrassendste feiten in How Music Got Free van Stephen Witt, voormalig hedgefundmanager en nu journalist, is dat de bron voor een significant deel te lokaliseren is in één cd-fabriek in Amerika: Kings Mountain van PolyGram. In de jaren tachtig en negentig was het een razendsnel groeiende fabriek en een enorme winstmaker. Met de komst van de cd waren de marges op muziek ongekend hoog: de productiekosten waren nihil, de prijs was flink, de koopbereidwilligheid enorm: bij jongeren, maar ook bij het oudere publiek dat gretig hele lp-collecties opnieuw kocht in digitale vorm. Toen begon een zekere Dell Glover, werknemer van de fabriek, met het stelen van nog niet verschenen cd’s. Hij verkocht ze aanvankelijk, of kopieerde ze.

En toen ontdekte hij de mp3. Hij kreeg breedbandinternet. Hij downloadde liedjes van Tupac en vroeg zich af: wat is de cd eigenlijk meer dan een nogal onhandige manier om data op te slaan?

Na een tijdje begint het de PolyGram-bazen op te vallen dat er geen plaat meer verschijnt zonder dat die een week of twee daarvoor al was gelekt. De verkoop leed er niet onder, sterker nog: aanvankelijk wakkerden gelekte cd’s de belangstelling alleen nog maar aan. Maar marketingcampagnes werden in de war gestuurd, dus veiligheidsmaatregelen werden aangescherpt.

Niet dat Glover hierdoor ontmoedigd raakte. Cd’s stelen bleef mogelijk, al moesten de dieven ze in hun onderbroek stoppen, achter een gigantische riem die als een bliksemafleider fungeerde voor de alarminstallatie. Jay-Z, Dr. Dre, Eminem: overdag pakte Glover ze in voor een loontje van 10 dollar per uur, ’s avonds pakte hij ze weer uit, achter zijn computer, om zo een miljoenenindustrie om zeep te helpen.

Het verhaal van Dell Glover is een van de drie lijnen die Stephen Witt ontvlecht in zijn levendig geschreven boek. Een jongensboek maakt hij ervan, vol helden, antihelden, boeven en outcasts, alsof het een avonturenroman is. Hij houdt van muziek en had zelf een verzameling van zo’n 15.000 albums, zonder daarvoor overigens één platenzaak van binnen te hebben gezien. Het ging Witt niet eens om de muziek: hij verzamelde uit nieuwsgierigheid, en om deel uit te maken van de nieuwe internetsubcultuur.

Dozenvuller

De tweede verhaallijn is die van Karlheinz Brandenburg, geluidstechnicus en wetenschapper. Een briljante geest die zijn carrière in dienst stelde van een vinding waarmee muziekbestanden verkleind konden worden zonder dat de geluidskwaliteit eronder leed. Over dat laatste kun je discussiëren maar daar gaat het Witt niet om. Je zou verwachten dat het verhaal van de wetenschapper wat minder spektakel zou bieden dan dat van de moraalloze nerds in de fabriek, maar Witt draait er zijn hand niet voor om.

Het laboratoriumwerk, het zoeken, proberen, de mislukkingen – en daarna ook de moeite die het Brandenburg kostte om van de mp3 de industriestandaard te maken, tegen de bierkaai van de grote maatschappijen: het is een geweldig verhaal. Brandenburg is een mooi portret, een wijsneus met het geduld en de zelfverzekerdheid van iemand die wist dat zijn uitvinding de beste was. Erg veel inzicht in de mogelijkheden had hij overigens niet: hij vond het niet de moeite waard om patent aan te vragen op zijn uitvinding van de mp3-speler. Zelf had hij totaal geen belangstelling voor piraterij, hij gaf zijn software zelfs gratis weg. En zo maakte hij het mogelijk dat een armlastige dozenvuller in North Carolina het programma op zijn computer kon zetten om het uit te proberen op de nieuwe cd van Tupac.

Rappers

De derde held in het verhaal is Doug Morris. Aanvankelijk was hij vooral het slachtoffer. Morris was zo’n klassieke platenbaas met een neus voor talent die vooral in de jaren tachtig en negentig hit na hit (na hit) scoorde met een vrijwel onuitputtelijke vracht aan rappers. Hij had de gave om ook potentie te zien in muziek die hem niet aansprak, dus al liep hij tegen de zeventig, hij wist de jeugd altijd perfect te bereiken. Nog nooit verdiende Universal zoveel als halverwege de jaren negentig.

En hier trad de wet van de remmende voorsprong in werking: de machtigste platenbaas in de geschiedenis zag de noodzaak tot vernieuwing natuurlijk niet. Maar op het moment dat de nieuwste hits gratis te vinden waren nog voor de officiële verschijningsdatum, moesten de inkomsten wel teruglopen. Morris hield aan zijn stal steeds minder geld over en toen hij in een berucht geworden interview vertelde dat hij geen idee had gehad hoe hij met de digitale revolutie had moeten omgaan – ‘we wisten niet aan wie we het hadden kunnen vragen’ – leek zijn rol uitgespeeld.

Morris was symptomatisch: de muziekindustrie deed een tijdlang alles verkeerd. Ze probeerden de cd’s te beveiligen, maar er hoefde ergens op de wereld maar één handige computerjongen rond te lopen die de cd kon kraken en sneller dan de besmettelijkste ziekte verspreidden de bestandjes zich weer over de wereld. En ze gingen op jacht naar gebruikers. De mensen die de bestanden beschikbaar stelden, wisten wel te ontkomen; voor elke muzieksite die opgedoekt werd, kwam een nieuwe in de plaats. Maar de huisvrouw wier zoon een paar hitjes via Napster had gedownload, kon op een boete rekenen die kon oplopen tot honderdduizend dollar per overtreding.

Andere bedrijven sprongen in het gat dat de maatschappijen lieten liggen. Eerst en vooral was dat Apple: daar realiseerde men zich dat de meeste nieuwe muziekconsumenten liedjes wilden horen en geen albums. En ook: dat het mensen om de muziek ging. De ware liefhebber was toch al nooit verliefd geworden op de klinische cd. Dus terwijl iTunes een enorm succes werd bij een groot publiek, maakte de lp een bescheiden comeback voor de ware liefhebber.

Toch is de oude platenbaas uiteindelijk de held van het boek. Toen Doug Morris eigenlijk de pensioengerechtigde leeftijd al had bereikt, keek hij een keer mee over de schouder van – hoe klassiek – zijn kleinkind. Hij ziet hoe het joch al zijn muziek opzoekt via YouTube. En hij ziet dat YouTube adverteert, en niet zo’n klein beetje. En Morris ziet het licht. De videoclip was tot op dat moment een reclamespot voor het product: de cd. Maar op het moment dat de consument niet meer geïnteresseerd is in dat product, maar wel in de clip, ligt het voor de hand om daar geld voor te vragen.

Dus: geen gratis filmpjes meer, maar een fractie van een cent voor de maatschappij wanneer iemand een filmpje aanklikte. Een nieuw verdienmodel was geboren, de videowebsite VEVO werd – en is nog steeds – enorm populair. Fijn voor de maatschappij. Maar de nieuwe geldstroom ging niet naar de artiest.

En zo markeert dit boek alweer het einde van het tijdperk van de illegale downloads. Want de kans is groot dat, als u onder de twintig bent, u nooit illegaal hebt gedownload. Spotify, Deezer, en nu ook Apple: voor een bescheiden bedrag bieden ze toegang tot een bijna net zo omvangrijke catalogus aan muziek als de verdwenen piratensites.

Met Doug Morris liep het dus goed af, en met Karlheinz Brandenburg ook: hij is nog steeds directeur van hetzelfde instituut. Met Dell Glover en zijn medeplichtigen – zowel op internet als in de fabriek – ging het minder. De prominentste file sharers werden door de FBI opgespoord en betaalden boetes of verdwenen voor een paar maanden in de gevangenis (‘Club Fed’).

Piraterij is niet helemaal verdwenen. De Zweedse site Pirate Bay is ondanks vele pogingen van overheden en maatschappijen nog steeds een grote catalogus van illegale muziek, films, eBooks en software. Ongrijpbaar voor de Amerikaanse justitie en met een ideologisch laagje dat in Duitsland zelfs in de politiek aanwezig is: de Piratenpartij heeft enkele zetels in de Bondsdag. Maar het is een achterhoedegevecht geworden. Streaming services hebben het piratenwerk eigenlijk overbodig gemaakt, en er wordt weer voor muziek betaald, zij het veel minder dan in de jaren negentig. Die 15.000 gedownloade albums van Witt? Kinderspel.