Terug naar Abraham

Marcel Hulspas plaatst de profeet Mohammed in zijn tijdsgewricht. Ook probeert hij zijn bedoelingen te duiden, door de Koran kritisch te lezen. Het levert een genuanceerd portret van een religiehervormer op.

Al-Masjid al-Haram in Mekka, 27 december 2006. Foto Mohammed Abed/ AFP

Alweer een boek over Mohammed. Hoe wordt hij deze keer afgeschilderd? Als vroom verzinsel? Als vrouwenhater of pedofiel? Als een bloeddorstige machtswellusteling? Of als ‘de sleutel der profeten’ (vrede zij met hem), de laatste Boodschapper van de ene, ware God die de mensheid nog één kans wil geven? Ditmaal niet. Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas zet hem neer als een uitzonderlijke man van zijn tijd. En wat voor een tijd.

Rond het jaar 600 is het Midden-Oosten, net als nu, een rusteloze regio. Er woedt een strijd op leven en dood tussen Byzantium en Perzië. En het gist er ook in godsdienstig opzicht. In dit grensgebied wemelt het van door keizer en kerk verketterde christelijke gemeenschappen. Zij maken ruzie over de aard van Christus (God, mens of allebei?) en hebben moeite met de idee van een Drieëenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat eigenzinnige christendom slaat aan bij de Arabische stammen van Syrië en Mesopotamië, grensprovincies van de twee rivaliserende rijken.

Aan het begin van de zevende eeuw voelt men in het Midden-Oosten het Einde der Tijden naderen. Zeker na de Perzische verovering van Jeruzalem in 614, als het Heilig Kruis wordt weggevoerd naar de rijkshoofdstad Ctesiphon. Alom leeft de angst dat het Byzantijnse Rijk het zal afleggen tegen Perzië. Ook op het Arabisch schiereiland, dat grotendeels buiten de machtssfeer van de beide rijken is gebleven, wacht men de afloop met angst en beven af.

Sinds 610 roert zich in Mekka, een stadje in de Hedjaz, in het westen van Arabië, een charismatische prediker uit de clan Hashim van de stam der Quraish: Mohammed ibn Abdallah. Zijn vermaning is streng monotheïstisch: er is geen god dan God. En hij waarschuwt voor de Dag der Opstanding, wanneer God over de mens zal oordelen.

De hulp Gods

Mohammed moet de oorlog in het noorden met aandacht hebben gevolgd, denkt Hulspas. Hij citeert de Koranverzen 30:2-5: ‘De Byzantijnen zijn verslagen in het naastbijgelegen land [inderdaad, in 616]; maar nadat zij verslagen werden zullen zij verslaan, over enkele jaren. (…) En te dien dage zullen de gelovigen verblijd zijn over de hulp Gods.’ Deze verzen gelden als verwijzing naar de latere overwinningen van de Byzantijnse keizer Heraklios op de Perzen.

Verblijd, ja. Mohammed had waardering voor het christendom, dat hij waarschijnlijk alleen kende uit mondelinge verhalen. Maar hij ontkende, met veel ketterse christenen, dat Jezus (Isa) zoon van God was. En hij beschouwde het idee van een goddelijke Drieëenheid als veelgoderij.

Hulspas, van huis uit natuurwetenschapper, toont zich een gepassioneerd exegeet. Zijn belangrijkste bronteksten zijn de Koran, die hij kennelijk van voor naar achter heeft gelezen; de biografie van de Profeet door Mohammed ibn Ishak (704-767); en overleveringen (hadith) over Mohammeds handel en wandel. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van de Koranvertaling van J.H. Kramer uit 1956 (in de bewerking van Jaber en Jansen uit 1992), de vertaling van Ishaks levensbeschrijving door Wim Raven (2000) en diens keuze uit de hadith (1995). Hulspas neemt die bronnen serieus: ‘Alles bij elkaar biedt de traditie een redelijk geloofwaardig en consistent beeld van zijn leven. En we hebben niets anders.’

Hulspas volgt zijn personage op de voet, maar zoomt regelmatig uit. Hij laat zien dat Mohammed deel uitmaakte van een bredere religieuze hervormingsbeweging in Arabië, die wilde terugkeren naar de ware religie van Abraham, volgens de traditie zowel aartsvader van de joden als van de Arabieren. De Kaäba, het kubusvormige heiligdom in Mekka, zou zijn opgericht door ‘godzoeker’ Abraham, vader van het monotheïsme. Maar de Arabieren hadden diens vermaningen in de wind geslagen. Naast de God van de Kaäba waren zij andere goden gaan vereren. Er was geen tijd te verliezen, liet God zijn boodschapper Mohammed in een reeks openbaringen weten. Volken die de vermaningen van eerdere profeten in de wind hadden geslagen, waren door Hem vernietigd.

De meeste van Mohammeds clan- en stamgenoten verzetten zich tegen zijn boodschap. Zij waren overigens geen verstokte afgodenaanbidders, zoals de traditie suggereert. De Mekkanen erkenden naast de God van Abraham ‘dochters van God’, of engelen, bemiddelaars tussen God en de mens. Zij konden niet verteren dat hun voorvaderen hierom voorbestemd zouden zijn voor het hellevuur. Mohammed en een handvol getrouwen weken uit naar de oasestad Medina. Daar ontpopte hij zich als leider van een groeiende geloofsgemeenschap, die hij aanvoerde in een gewapende strijd met de Mekkanen. Uiteindelijk keerde hij zegevierend terug naar Mekka. Toen hij in 632 stierf had vrijwel het hele Arabische schiereiland zijn boodschap omhelsd. Onder zijn opvolgers zou die razendsnel worden verbreid naar het noorden, westen en oosten.

Polygamie

Hulspas’ boek is in menig opzicht een respectabel werkstuk. In de eerste plaats door de reconstructie van het tijdsgewricht waarin Mohammed optrad. Maar ook door de beredeneerde duiding van diens bedoelingen en door een serieuze en kritische lezing van de Koran. Hulspas geeft blijk van gevoel voor de tijdgeest, van een kritische kijk op overgeleverde verhalen en een vermogen tot historische relativering, bijvoorbeeld als het gaat over slavernij of polygamie (‘destijds zeker niet ongewoon’). En hij verwijst ook naar relevante joodse en christelijke bronnen.

Maar het boek is té vol. Hulspas laat zich meeslepen door zijn vondsten en daardoor is zijn verhaal onnodig uitgesponnen. Het is bezaaid met Koranverzen en hadith die nogal eens op hetzelfde neerkomen.

Hulspas geeft in feite een overzicht van de jongste inzichten in het ontstaan van de islam, overigens zonder bij naam te noemen aan wie hij die ontleent. Sinds de islamologie in de jaren zeventig van de vorige eeuw is opgeschud door jonge historici aan de Londense School of Oriental and African Studies, die de islamitische traditie niet langer voetstoots overnamen, is een kritisch Koranonderzoek op gang gekomen. De eerder deze maand gestorven oriëntalist Patricia Crone was een van de wegbereiders. Gezien Hulspas literatuurlijst in de tweede druk (in de eerste ontbrak die, vreemd genoeg) kent hij dit werk, al wordt er nergens naar verwezen.

Een voorbeeld. ‘Alles wijst erop dat Mekka vóór de opkomst van de islam geen belangrijke rol speelde in het Arabische handelsverkeer’, schrijft Hulspas op bladzijde 89. Alles? Dit is een notendop Crone’s bevinding in haar Meccan Trade – The Rise of Islam (1987).

Mohammed en het ontstaan van de islam maakt oude teksten en nieuwe verklaringen toegankelijk voor een groter publiek en schetst een genuanceerd portret van de figuur Mohammed. En dat is een grote verdienste. Ook al doet Hulspas te vaak of hij het allemaal zelf bedacht heeft, zijn boek is een verademing in de recente vloedgolf van veel minder onderbouwde anti-islamitische schotschriften – en van al te letterlijke lezingen van de bronnen in religieuze kring.