Misschien was alles al wel gezegd

In Café Restaurant Frankendael – een zaak met zalen voor feesten en partijen, houten tafeltjes, peper- en zoutvaatjes, glas in lood, een draaiende klok aan het plafond, plastic planten voor de ramen en obers in zwarte blouses – nam een Amsterdamse familie – broers, zussen en aanhang – afscheid van hun moeder.

Nadat ze haar naar begraafplaats De Nieuwe Ooster hadden gebracht, waren ze na een korte wandeling haast automatisch in Frankendael terecht gekomen.

Daar zaten ze dan.

Broodjes kaas en tosti’s werden zwijgend naar binnen geschoven, er werd druk getoiletteerd en naar buiten gelopen om te roken. Zo nu en dan zei iemand iets over de overledene.

„Mij heb ze vorige week nog de kanker gescholden”, zei een gezette jongen met stekeltjeshaar, terwijl hij zijn servet tot een bal kneedde.

Er werd niet op gereageerd, waarschijnlijk omdat ze het verhaal al kenden, maar hij ging toch maar door.

„Toen ze dacht dat er ingebroken was omdat haar vriezer leeg was. Ik zei nog ‘Ma, die heb je zelf leeggevroten. Je kon lekker koken, maar ze gaan echt niet inbreken voor die soep van je.’ Nou dan kon je de kanker krijgen, dan werd ze boos.”

De vrouw tegenover hem trok een vies gezicht.

„Erwtensoep, ik moet er nu niet aan denken.”

Er werd met smartphones gespeeld en met een schuin oog naar de Tour de France achterin de zaak gekeken.

„Weet je wat wel lachen was?”, zei een vrouw met kortgeknipt haar die al een paar keer naar buiten was gegaan met haar pakje Marlboro. „Ze heeft me zelfs nog een keer geknuffeld. Toen had ik niet gezegd dat ik kwam. Ik klopte op het raam. Ze deed de gordijnen open en daarna meteen weer dicht. Daarna klopte ik nog een keer, weer hetzelfde. Nadat ik het nog een keer probeerde, kwam ze naar de voordeur waar ze me in de armen viel. ‘Ik ben zo bij dat jij er bent’, zei ze. ‘Er stond hier juist een idioot op de ramen te kloppen’.”

Een van haar broers zei „dementie kutziekte”, legde zijn autosleutels op tafel en riep de ober voor de rekening.

„Alles op een rekening?”, vroeg deze.

– „Nee, gesplitst.”

Even later stonden ze in een rij voor de bar waar kon worden afgerekend. Ze hadden elkaar niets meer te zeggen, maar het kon natuurlijk ook zijn dat met „dementie kutziekte” alles al wel gezegd was.