IS erkennen? Dat is de bom onder onze wereldorde

We hebben meer bondgenoten onder moslims dan we denken in de strijd tegen IS, schrijven Laila al-Zwaini, Dieuwertje Kuijpers en Rena Netjes.

illustratie Steve sack

Een jaar geleden keek de wereld geschokt toe hoe Iraakse Jezidi’s door IS werden opgejaagd. Het gebeurt vandaag de dag nog steeds. Koerden, shi’ieten, christenen, ongelovigen, iedereen staat op de ‘hitlist’ van IS.

Minder bekend is dat het soennitische IS ook Iraakse soennieten terroriseert. Dit past niet in ons sektarisch beeld van de brandhaarden in het Midden-Oosten, maar het gebeurt wel. Omdat het bestrijden van de goedgeoliede IS-guerrilla zo complex en vol militaire nederlagen aan onze kant is, raken we ontmoedigd. Wat te doen om dit monster te stoppen?

Verrassend waren de voorstellen van de Amerikaanse professor Stephen Walt (Foreign Policy, 10 juni) en de Nederlandse politicoloog Paul Aarts (NRC Handelsblad, 11 juli 2015). Zij spiegelden ons het boude scenario voor om ‘de feiten’ onder ogen te zien, en aan het idee te wennen dat IS blijft. Door IS niet te bestrijden, maar te erkennen als lid van onze wereldgemeenschap, zou IS een socialisatieproces ondergaan en – net als andere staten met een gewelddadige voorgeschiedenis (Cuba, Sovjet-Unie) – uiteindelijk ook gaan behoren tot de friendly nations.

Rubbish. Of zoals Arabieren zeggen Daesh. Behalve een Arabisch acroniem voor ‘Islamitische Staat van Irak en Syrië’ (ISIS), is daesh een neo-logisme voor „een groep thugs (gangsters) die hun wil aan anderen opdringt”. Een thugocracy dus. De meeste Arabieren en moslims gebruiken deze spotnaam voor IS juist om de wereld duidelijk te maken dat IS niet legitiem is, en ook nooit mag worden.

Wat wel legitiem is, zijn de vragen die Paul Aarts oproept. Want hoe kan het dat IS zoveel terreinwinst boekt? Hoe komt het dat de stroom van would-be jihadisten maar niet opdroogt?

Walt schat dat 25.000 „slecht getrainde volgers” uit een moslimgemeenschap van ruwweg 1,3 miljard zich tot nu toe bij IS hebben aangesloten. Onderzoeker Hassan Hassan houdt het op 50.000 leden, inclusief locals waarvan de helft strijders.

Maar hun lokale en zelfs regionale terreinwinst dan? Aarts suggereert dat, voor de keuze gesteld, menig Iraakse soenniet eerder voor een leven onder IS zal kiezen dan onder een discriminerend shi’itisch regime.” Klinkt aannemelijk vanuit een sektarisch framing, maar het is niet de realiteit. Dat de regimes in Bagdad en Damascus soennieten discrimineren en dat IS floreert bij de sektarische strijd is inderdaad een feit. Met de Irak-inval in 2003 werd het uiteenvallen van de staat in sektarische (soennieten-shi’ieten) en etnische (Koerden-Arabieren) breuklijnen onvermijdelijk. Twee interventies waren hiervoor medeverantwoordelijk: ten eerste de beslissing van Paul Bremer om het destijds sterkste leger en de wreedste veiligheidsdienst van de Arabische wereld (van Saddam Hoessein) op staande voet te ontslaan. De top van IS bestaat voornamelijk uit deze vernederde militairen en veiligheidsmensen. Zij zien het terugwinnen van ‘hun’ territorium als ultieme wraak.

Wat hen ook in de kaart speelt is de bemoeienis van de VS en Iran bij de verkiezing van Al-Maliki als eerste (shi’itische) premier van Irak. Al-Maliki (nu vice-president) voerde een sektarische agenda door, waarbij soennieten actief werden onderdrukt. In IS vonden zij hun beschermheer. Toch moet de meerderheid van de soennieten niets van IS hebben. Alleen al in de nasleep van de val van Ramadi in mei vonden 848 soennieten de dood, terwijl het Iraakse leger hen in de steek liet. Regionale soennitische stamhoofden vragen persconferentie na persconferentie om hulp in hun strijd tegen IS. Maar Washington zegt – officieel – Bagdad niet te willen passeren. Dit, en dus niet zozeer pro-IS-sympathieën van soennitische stammen, verklaart waarom IS in Anbar, de grootste Iraakse provincie, zo’n stevige territoriale voet aan de grond houdt.

Waar veel soennieten dus meer vechtlust aan de dag leggen om IS uit te schakelen dan wij onderkennen, blijken het Westen en omringende Arabische staten juist verontrustend verlamd of onverschillig.

Zou IS werkelijk bereid zijn om te ‘socialiseren’? Dan zouden ze hun strikte jihad-doctrine radicaal moeten herzien. Dan zou Al-Baghdadi een fatwa voor een ‘islamitische verlichting’ moeten afkondigen. Geen kompas om op te varen, lijkt ons.

Wat moeten we dan wel doen tegen IS? De sleutel ligt in het ondergraven van de aantrekkingskracht, de terreinwinst en de inkomsten, en daarmee het verzwakken, niet versterken, van enig internationaal of islamitisch bestaansrecht.

Dus: grondig inzicht verwerven in lokale en regionale actoren en dynamieken, liefst voordat we ingrijpen. Inzien dat een militaire interventie de laatste optie is en sowieso nooit de enige strategie moet zijn. Een lange adem hebben en vooral: de belangen, behoeften en bescherming van mensen (ook moslims) op de eerste plaats stellen. Nog voor geostrategische belangen. Dat klinkt nu misschien naïef en idealistisch, maar vormde wel de grondslag voor de oprichting van de VN, en van de grondwetten van onze democratieën.

Kortom, we hebben ontelbaar meer moslimbondgenoten dan we denken in de strijd tegen IS. Deze moslims blijven. Wen er maar aan.