Handelsverdrag TTIP is slecht voor databescherming burgers

Het akeligste element van drie belangrijke handelsakkoorden waarover nu wordt onderhandeld – waaronder TTIP – is dat ze een wereld schetsen waarin de politiek geen rol meer speelt, schrijft Evgeny Morozov.

Terwijl alle ogen op Griekenland waren gericht heeft het Europees Parlement geruisloos ingestemd met een niet-bindende resolutie over het Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP), de omstreden liberalisering van de handel tussen de Verenigde Staten en Europa. Het merkwaardige was dat het een paar uur eerder nog de Griekse leider Alexis Tsipras had onderhouden over de zegeningen van de Europese solidariteit en rechtvaardigheid.

Als het handelsverdrag TTIP van kracht wordt, met nog twee andere verdragen waarover op het ogenblik wordt onderhandeld – de Trade in Service Agreement en de Trans-Pacific Partnership Agreement – dan zullen overheden aanzienlijk worden beperkt in hun vermogen de activiteiten van bedrijven in toom te houden. Het was te voorspellen dat deze drie verdragen veel weerstand zouden oproepen.

De resolutie van het Europees Parlement probeert het belangrijkste twistpunt tussen de Verenigde Staten en Europa weg te nemen. Omdat veel Europeanen al gruwen bij de gedachte van een internationaal tribunaal waar bedrijven overheden kunnen aanklagen wegens bedrijfsonvriendelijke wetgeving, heeft het Europees Parlement voorgesteld om van dit tribunaal een publieke Europese instelling te maken. Sommige van zulke instellingen hebben wel degelijk tanden – neem de recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie over het ‘recht om vergeten te worden’ – maar dat spreekt niet vanzelf.

Het verzet tegen de verdragen is hiermee natuurlijk niet voorbij. Een vergeten element van het juridische bouwwerk dat wordt opgetrokken is dat Europa – behoudens een burgeropstand zoals in Griekenland – ten slotte alsnog zijn sterke en diep gekoesterde inzet voor databescherming zal laten varen. Die protectionistische houding, vooral gericht op bescherming van de burger tegen overmatige bemoeienis van staat en bedrijfsleven, staat steeds meer op gespannen voet met de graaimentaliteit van het hedendaags kapitalisme.

Carl Bildt, de havik van de Zweedse politiek en inmiddels ook voorzitter van de denktank Global Commission on Internet Governance, gaf laatst in een commentaar een vrij nauwkeurige omschrijving van deze neoliberale mentaliteit. Volgens Bildt zijn ‘belemmeringen van het vrije dataverkeer in feite handelsbelemmeringen’. Daarmee is ook de bouw van een hek om uw huis een inbreuk op het kapitalisme, want wie weet wat voor reclame-inkomsten er nog uit uw gegevens kunnen worden gehaald?

Als de enige maatstaf voor ons technologiebeleid is of het de belangen van het bedrijfsleven bevordert, dan is er natuurlijk veel op databescherming en vrijwel elke privacywetgeving aan te merken. En misschien is dit algauw onze enige maatstaf: het akeligste element van de drie handelsakkoorden waarover nu wordt onderhandeld is juist dat ze een wereld schetsen waarin de politiek geen rol meer speelt; er is alleen nog het bedrijfsleven. Waarna een stortvloed van commentaren en denktankrapporten – veelal door de branche zelf bekostigd – er nog een schepje bovenop doet met de stelling dat de verdragen niet ver genoeg gaan om ook alle andere factoren mee te wegen die van invloed zijn op de handel en de economische groei. Nogmaals, alsof er buiten de zeepbel van het bedrijfsleven niet ook nog een andere wereld is.

Neem Uncovering the Hidden Value of Digital Trade: Towards a 21st Century Agenda of Transatlantic Prosperity, een recent rapport van twee prominente denktanks, het Progressive Policy Institute in Washington en de Lisbon Council in Brussel. Daarin wordt niet eens de moeite genomen om te zeggen dat slecht of onhaalbaar is wat de burgers willen; het is gewoon geschreven alsof zij niet bestaan. Die herkomst is veelzeggend. Het Progressive Policy Institute , begin jaren negentig opgericht om het presidentschap van Bill Clinton neoliberale ideeën in te blazen, heeft zich ontpopt als pleitbezorger van een agressieve Amerikaanse buitenlandse politiek en voorvechter van de Amerikaanse economische wereldheerschappij. De Lisbon Council heeft een intrigerender achtergrond. Ten eerste wat de financiering aangaat: tot de geldschieters behoren Google, HP, IBM en Oracle. En verder wat de feitelijke invloed op het beleid betreft: Ann Mettler, medeoprichter en tot vorig jaar directeur, heeft nu de leiding van het Europese Politieke Strategiecentrum, een interne beleidsdenktank voor de Europese Commissie.

Dit rapport is het lezen waard, al was het maar om de gedurfde veronderstellingen. De auteurs betogen dat Europa achterblijft bij de VS in iets wat ze als ‘digitale dichtheid’ omschrijven – de mate waarin landen gegevens verwerken. Al hoeven volgens hen maar zes van de toonaangevende Europese economieën hun ‘digitale dichtheid’ tot het Amerikaanse niveau op te trekken of dit zou jaarlijks 460 miljard euro extra economische productie opleveren. Ja, het klopt: privacy – een van de grootste belemmeringen voor een hoge ‘digitale dichtheid’ – is ook een van de belemmeringen voor het economisch herstel. Iedereen moet zich openstellen, dan kunnen Google en IBM sneller bloeien.

Het is geen verrassing dat het rapport Europa oproept om zich nog eens te bezinnen op zijn bereidheid tot wetshervormingen inzake de databescherming. Die zal ook na een herziening nog te veel knellen, betogen de auteurs. Sterker nog: omdat een aantal Europese politici weigert het dataverkeer in het TTIP-verdrag op te nemen, stellen de auteurs een soort compromis voor: we moeten volgens hen een ‘Conventie van Genève voor de status van gegevens’ opstellen, die buiten het TTIP kan bestaan en de Europeanen de zekerheid blijft bieden dat hun wetgeving inzake databescherming niet zal verwateren door handelsakkoorden met Amerika. Gelet op de schaamteloze inbreuken op de feitelijke Conventies van Genève door de regering-Bush zal dit de meeste Europeanen waarschijnlijk niet erg geruststellen. Amerikaanse advocaten zullen er gauw bij zijn om het privacy-equivalent van waterboarding bedenken: een scenario waarin een bepaald grensgeval de weg voor afschuwelijk misbruik opent. Maar overheden zullen onder deze nieuwe opzet niet veel inleveren; die vinden een manier om de verdragen naar hun hand te zetten. Eens te meer gaan de VS voorop door belangrijke uitzonderingen op het terrein van de nationale veiligheid te eisen.

Onlangs is een belangrijke toevoeging aan Trade in Service Agreement uitgelekt via WikiLeaks. Op voorstel van de VS staat hierin een paragraaf over de nationale veiligheid die doet vermoeden wat ons mogelijk te wachten staat. Die paragraaf bepaalt dat ongeacht de strekking van andere verdragsartikelen niets een overheid mag beletten ‘de maatregelen te nemen die zij nodig acht ter bescherming van haar eigen wezenlijke veiligheidsbelangen’. Dit is het niveau van de algemeenheden waarin zulke verdragen worden geschreven: er is geen definitie van ‘wezenlijk’, laat staan van ‘veiligheid’ of ‘belang’.

De mondiale beleidsagenda wordt in feite bepaald door denktanks die de branche zelf bekostigt en deze bepleiten langs die weg een uiterst grimmige toekomst, al geven ze daar nog zo’n vlotte draai aan. De burgers zullen niet alleen in feite geen recht op privacy meer hebben, maar alleen een poging om iets te verbergen zal al worden uitgelegd als een inbreuk op de vrije handel of een poging om de nationale veiligheid te ondermijnen. En ook al kiezen burgers een regering die belooft deze kwalijke tendens te keren, dan zal ook die regering zelf vermoedelijk worden weggeprocedeerd; de verdragen zullen daartoe al de benodigde juridische instrumenten bevatten.

Jawel: de 21ste eeuw van de transatlantische welvaart is aangebroken.