‘Dreiging is een belangrijke bron voor poëzie’

Piet Gerbrandy kreeg eind 2014 de Jan Campert-prijs voor de beste poëziebundel. Een bundel die zelf onopgemerkt bleef. „Je mag blij zijn dat er een uitgever is die je wil uitgeven.”

„Misschien werd de bundel niet besproken omdat men dacht: die Gerbrandy krijgt al aandacht genoeg.” Foto Sake Elzinga

Piet Gerbrandy woont tegen de Duitse grens aan, in Winterswijk, en dat wil hij weten ook. Als hij bij het openen van de voordeur verneemt dat het bezoek uit Amsterdam komt, luidt de repliek: „Ik zou er nog niet dood gevonden willen worden.” Hij woonde er wel ooit, in Amsterdam, als student, en hij doceert er ook al jaren Klassieke Talen aan de universiteit, maar er wonen, nee. Dan liever Winterswijk.

Zo verborgen als zijn woonplaats ligt tussen het groen, zo verborgen bleef ook lange tijd zijn bundel Vlinderslag. Tot begin november vorig jaar, toen bekend werd dat hij er de Jan Campert-prijs voor de beste bundel van het jaar voor ontving. Daarnaast verscheen enkele maanden terug ook nog de essaybundel De jacht op het sublieme, over ‘Zin, lust en poëzie’, waarin aan de hand van klassieke en moderne dichters en schrijvers wordt onderzocht wat we er toch eigenlijk in zoeken, in die kunsten. Gerbrandy zocht en vond erotiek bij Hans Faverey, pelgrimsliederen in de brievenboeken van Gerard Reve en het (spaarzame) geluk bij Anneke Brassinga.

Een beetje vreemd is het wel, een bundel wordt met een belangrijke prijs onderscheiden, maar is in de kranten en tijdschriften nauwelijks besproken.

„Er stond een degelijke bespreking in Ons erfdeel, maar dat was inderdaad de enige. Maar zoiets is al helemaal niet zo uitzonderlijk meer hoor, want voor de meeste bundels wordt in kranten en tijdschriften geen ruimte meer ingeruimd. Daarnaast kan het er ook aan liggen dat het al mijn tiende bundel was. Dus de reactie van critici zou inmiddels kunnen zijn: alweer één. Of ze wisten niet of het proza of poëzie was. Zo is Smijdige witheid, een vorige bundel, ook tussen wal en schip gevallen. Tenslotte kan de gedachte altijd nog geweest zijn: die Gerbrandy krijgt al aandacht genoeg.”

Een afnemende belangstelling voor poëzie lijkt u niet echt dwars te zitten.

„Ik denk nog altijd: je mag blij zijn dat er een uitgever is die je wil uitgeven, of een krant of een tijdschrift die je stukjes opneemt. Ik heb laatst eens op een rijtje gezet wat er in Nederland allemaal voor de poëzie ‘is’, aan prijzen, aan instanties, aan publicaties, aan festivals, aan cursussen. Dat is onafzienbaar. Dus dichters hebben niet te klagen in dit land. Vergeleken met collega’s in Engeland en Italië, waar je alleen kleine circuits hebt en het meeste zich lokaal afspeelt, zitten we hier op rozen. Als je hier je werk aan de man wil brengen, is dat geen enkel probleem. Wel heb ik zorgen over het onderwijs. Een enkele keer tref je op middelbare scholen nog weleens een docent aan die affiniteit met poëzie heeft, maar verder is de kans groot dat een leerling tijdens zijn carrière geen enkel gedicht krijgt voorgeschoteld. En je moet het leren waarderen, net als het kijken naar een schilderij van Pollock of het luisteren naar twaalftoonsmuziek.”

Het motto van ‘Vlinderslag’, ontleend aan Claudius Claudianus, maakt gewag van een onzichtbare dreiging. Over welke dreiging hebben we het hier?

„Op de eerste plaats over de duistere diepten van de ziel. Ik ben me er zeer van bewust dat ons bewustzijn maar een laagje is bovenop een ongrijpbare, ontembare massa waarin het verschil tussen lichaam en geest niet helemaal duidelijk is. Daar huizen je demonen, en je innerlijke krachten natuurlijk, maar ook emoties of obsessies die af en toe naar boven komen.”

Bestaat er een ook verhouding tussen dat motto en de cursieve, zakelijke slotzinnen van de gedichten? Het lijken zinnen te zijn die de lyriek die eraan vooraf gaat het zwijgen opleggen. Ze wekken een sfeer op van benauwende ordentelijkheid, die ook zeer bedreigend overkomt.

„Zeker. Het speelt niet een heel sterke rol in de bundel, maar er zijn natuurlijk ook in politieke of ecologische zin zaken aan het veranderen waar we geen greep op krijgen. En als je geen greep hebt, blijft dreiging over. Wat natuurlijk een belangrijke bron voor de poëzie is, dreiging.”

Had u het idee dat u een bijzondere bundel aan het maken was?

„Ja. Ik had altijd een moeizame relatie met mijn gedichten. Zo gauw ze af waren, wilde ik er niks meer mee te maken hebben. Het was de deur uit, weg. Als een bundel binnenkwam van de drukker, haalde ik hem niet eens uit de verpakking. Op festivals las ik ook altijd nieuw, ongepubliceerd werk voor. Ik weet niet goed waar dat ongenoegen vandaan kwam, maar dit is de eerste bundel die ik na publicatie nog met genoegen opensla en waar ik graag uit voorlees. Voor het eerst is een bundel precies geworden wat ik wil.”

Hoe komt dat?

„Ik denk dat de heldere structuur er voor zorgt dat ik denk: vakwerk. In andere bundels deed ik uiteraard ook nooit zomaar wat, maar een deel van poëzie ontstaat spontaan of het ontstaat niet. Maar het in elkaar zetten van een boek, dat is een ambacht. En… ik vind dat ik dat dus echt goed gedaan heb.”

De tekst van ‘Vlinderslag’ bestaat uit drie stemmen. Kunt u zeggen waar ze vandaan komen of toe dienen?

„Het proza erin geeft me de gelegenheid een verhaal te vertellen, en daardoor kan ik tijdsverloop aanbrengen. Ze zijn horizontaal van aard. De, laten we zeggen wat traditionelere, lyrische gedichten op de pagina daartegenover zorgen voor wat ik noem het verticale element. Het zijn gestolde dingen in de tijd, waarin ik beelden kan stapelen en een emotie, een beeld of een extra stem in over kan brengen. Met de cursieve zinnen kan ik een nuchter commentaar geven. Je laat je als dichter weleens meeslepen of raakt in een roes of in een vervoering. Met die cursiveringen zet ik mezelf en de lezer met beide benen op de grond. De boodschap is: en nu even normaal doen. Die regels zijn dooddoeners en tegelijkertijd, maar dat heb ik pas achteraf ontdekt, kunnen ze door hun samenhang met het voorgaande ook ineens een symbolische betekenis krijgen.”

Of een acceptabele logica? Een zin als ‘Solidariteit moet uiteraard wel betaalbaar blijven’ accepteren we door de voorgaande regels van het gedicht opeens wel, maar als statement van bijvoorbeeld een politieke partij niet?

Lachend: „En het lijkt me een voordeel als een gedicht waarheid bevat.”

U lacht nu, maar vindt u ook dat je van een gedicht iets moet opsteken?

„Ja, waarom zou je ze anders lezen?”

Omdat er misschien ook genot te halen is uit de schoonheid van een gedicht?

„Maar dat is nooit genoeg. Een gedicht moet op de eerste plaats ergens over gaan, het moet substantie hebben. Er moet mij iets worden meegedeeld waarvan ik denk: dat is diep. Of nieuw. Of interessant. Of fout. Daarom lees ik ook bijna geen romans meer. De meeste romans zijn zo on-voor-stel-baar vervelend, dat ik meestal na tien pagina’s al denk: jonge, jonge, meld mij eens iets dat de moeite waard is.”

Deze krant merkte naar aanleiding van ‘De jacht op het sublieme’ op dat u het lezen van literatuur als een lichamelijke aangelegenheid beschouwt. Klopt dat?

„Ja, want ik geloof dat teksten voortkomen uit een fysieke aanwezigheid, die bestaat uit voetstappen, het ademen of het timbre van een stem. Maar dat zijn ook zaken die aangesproken worden bij mij als lezer. Je gaat mee-ademen en mee-prevelen, je komt in bepaalde flow terecht, die soms ook weer bewust of onbewust afgebroken wordt, wat het effect alleen maar groter maakt. Teksten waarbij je dat overkomt, die bieden je een soort totaal-ervaring. En dat is iets dat zich niet alleen in je brein voltrekt. Poëzie appelleert aan hele oude primitieve gevoelens in onszelf. Mijn kleinzoon van anderhalf reageert onmiddellijk op ritmische liedjes. Ik denk dat poëzie zo krachtig is doordat het appelleert aan de tijd dat we nog in de baarmoeder van onze moeder zaten. Ik kan dat niet bewijzen, maar dat kan me niets schelen.”

U denkt ook dat er altijd een erotische impuls achter lyriek schuilgaat?

„Misschien ben ik wel een Freudiaan pur sang, want ik denk van wel. Lyriek komt voort uit je liefde voor de wereld, je wil een emotie kwijt. Van opwinding, van schrik, van ontzag of van liefde. Je maakt daar contact mee met je medemensen. Dat is iets wezenlijk erotisch. Daarom vinden verliefde mensen ook opeens dat ze gedichten moeten schrijven. Je ervaart iets, en dat moet eruit, die hartstocht.”

Geldt dat voor alle kunst? Want u schrijft in een essay ook over grottekeningen die diep in de donkere aarde zijn gemaakt. Dat is juist géén verbinding maken.

„Ook dat kun je zien als de uiting van iemand die iets wil begrijpen.” (Wijzend op een tafereel uit de grotten van Lascaux op het omslag van De jacht op het sublieme): „Kijk, dat is een bizon waar jacht op is gemaakt. En dat mannetje dat doorboord voor hem op de grond ligt met een stijve pik wordt geïnterpreteerd als een sjamaan. Die heeft bij die jacht schijnbaar een seksuele opwinding ervaren. Daaronder is dan nog een vogel te zien die staat voor de symbolische opvlucht, dus in die tekening komt eigenlijk alles bij elkaar.”

U schreef ook over Jeroen Mettes, de in 2006 overleden dichter en literatuurwetenschapper die er een nogal politieke poëtica op nahield. U zit in een heel andere hoek. Was het confronterend om tegen het idealisme van zo’n activistische dichter aan te lopen?

„Zijn poëzie is heel bijzonder en van betere kwaliteit dan de essays waarin hij iets over zijn eigen poëzie zegt. Want het meeste daarvan is absolute shit. Het staat vol met slecht begrepen theorieën, want soms lult hij maar wat, dus wat hij over z’n eigen gedicht zegt klopt niet. Maar N30+, dat gedicht van hem, wérkt. Ik ben een hartstochtelijke romanticus, maar dat wil niet zeggen dat ik nooit in essays of poëzie politieke aspecten heb toegelaten. Dat is alleen nooit opgemerkt. Ook in de nieuwe bundel zijn ze te vinden, maar niemand die het ziet. Je moet uit je hart dichten, maar je hebt wel een verantwoordelijkheid als intellectueel. De taal staat tot je beschikking en de samenleving geeft jou de kans om in het openbaar te spreken. Dat is niet vanzelfsprekend, ook niet bij ons, en daar moet je iets mee doen. Politiek bewustzijn is belangrijk, maar activistisch werk wordt eendimensionaal. Je probeert in je leven toch iets te bereiken wat tussen er-zijn en je verantwoordelijkheid nemen in zit. Tenzij je de ausdauer hebt om dat vol te houden. Ik zou er de energie niet voor hebben. Ik zou in een tunnel belanden en niet meer zien dat de zon schijnt. Na een dag zou ik denken: ik ga weer in een hoek zitten lezen.”

Heeft u weleens moeite met uw relatieve afzijdigheid gehad?

„Ik ben iemand van de zijlijn, geloof ik. Ik verkeer graag in de marge. Ik geef les, schrijf en trek me dan weer terug. Ik peins er ook niet over om nog eens een volledige baan te nemen. Dan word je een instituut. Dat ervoer ik goed toen ik voltijd leraar was. Ik wás ook alleen maar leraar. Dat is niet goed, je moet met afstand kunnen denken. Maar er zijn kwesties waar ik me over opwind. Over het toenemend gebruik van Engels in de wetenschap bijvoorbeeld.”

Hebben uw kritische opmerkingen over het moderne genieten met uw gereformeerde komaf te maken?

„Je ziet dat wat wij als ‘genieten’ definiëren voorgeprogrammeerd is. Dat we ons associëren met gadgets, bedrijven, landschappen of kleuren doordat ons verteld is dat ze voor genot staan. Je krijgt opgedragen hoe seks beleefd moet worden. En als het niet goed gaat, dan is er een pil. Ik wil geen pilletje voor genot. Ik kom uit een calvinistisch nest en daar heb ik geleerd dat we geen recht op genot hebben. De wereld is een tranendal, heb ik geleerd, en alles wat je aan plezier meemaakt, daar mag je je handen mee dichtknijpen. Dus ik heb dat genieten echt moeten veroveren. Maar de calvinist in mij zit heel diep. Ik heb nog nooit een deadline gemist en bereid mijn werk altijd heel goed voor. Dat komt voort uit het besef dat je het allemaal niet kado krijgt. Ik vind dat ook helemaal niet iets slechts. Een enkele keer zat het me dwars. Dat ik dacht: ‘jongen, jongen, wat ben je geremd’. Maar als je niet beseft dat alles genade is, dan mis je een heleboel.”

Zit ik hier eigenlijk wel tegenover een goddeloos mens?

„Nou, ik geloof niet in een wezen ofzo, dus ik ben in die zin wel atheïstisch. Maar mijn contact met de wereld, met de natuur, met andere mensen, daar zit af en toe een toewijding in die ik best religieus zou willen noemen. Zonder God, maar wel met een soort verbondenheid die je voelt met de plek waar je bent.”