Doe mij onmiddellijk drie kinderen

Opnieuw brengt deze schrijver een vergeten geschiedenis sprankelend tot leven. Dit keer richt hij zich op het dubbelleven van de Delftse ondernemer Van Marken, die er twee gezinnen op nahield.

Foto Thinkstock

Tot voor kort dacht ik bij een kleine keizer alleen aan Napoleon. Maar na het lezen van De kleine Keizer (2012), een historische roman van Jan van der Mast, weet ik wel beter. Sindsdien zit er een kordaat, Fries mannetje in mijn hoofd: Gerrit Keizer, met een lengte van 80 cm. Hij maakte in de jaren 1880-1890 furore met zijn acrobatische acts in New York, Londen, Parijs en Berlijn. De kleinste man ter wereld trad op met de grootste man ter wereld, een goedmoedige Chinees van 2 meter 70.

Ook in zijn nieuwe roman, Agneta, brengt Van der Mast een vergeten geschiedenis met veel aansprekende details tot leven. Hij portretteert het echtpaar Jacques en Agneta van Marken, afkomstig uit de betere Amsterdamse kringen. Zij vestigden zich in Delft nadat Jacques er in 1869 de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek had opgericht. Later breidde hij de onderneming uit met een Olie-, Lijm- en Gelatinefabriek, terwijl Agneta haar eigen parfumfabriek begon. Het bijzondere aan het fabriekscomplex was vooral dat de president-directeur en zijn vrouw er vanaf 1884 zelf gingen wonen, in een villa weliswaar, tussen de arbeiders in hun arbeiderswoningen. Kapitaal en arbeid zouden op deze manier met elkaar verzoend worden, zodat er vanzelf een betere en zelfs ideale samenleving zou ontstaan. In Europa, Amerika en China werd met bewondering gekeken naar dit ‘modelpark’. Maar in het negentiende-eeuwse Nederland zelf waren de reacties wat zuiniger. De Van Markens vielen politiek gezien tussen wal en schip: voor de liberalen ging deze uitwerking van de ‘Sociale Quaestie’ te ver en voor de socialisten ging het juist weer niet ver genoeg.

Van der Mast besteedt uiteraard aandacht aan de mooie momenten die het echtpaar beleefde, zoals aan het bezoek van koningin Emma en kroonprinses Wilhelmina op 20 april 1892. Maar de roman ontleent zijn psychologische charme vooral aan de haperingen en mislukkingen. Hoofdpersoon Agneta kijkt met gemengde gevoelens terug op haar leven met Jacques. Aan de ene kant roemt ze zijn open en vrijzinnige geest, die zorgde voor een bloeiende onderneming. Maar aan de andere kant moet ze vaststellen dat hij juist helemaal niet zo open was. En daar stuiten we op het meest intrigerende onderdeel van deze roman: het dubbelleven dat de druk bezette directeur vijftien jaar lang leidde. In Delft had hij Agneta, die ongewenst kinderloos bleef. En in Rotterdam had hij Maria, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Interessant is de reactie van Agneta als zij er bij toeval achter komt dat er niet alleen een andere vrouw in Jacques’ leven is, maar nog kinderen ook. Dat bezorgt haar een flinke ‘kras op haar ziel’, maar ze voelt zich ook plaatsvervangend verantwoordelijk voor het welzijn van het in armoede levende, Rotterdamse gezin. Zij maakt, buiten medeweten van haar man, financiële en andere afspraken met Maria, zodat de bedrieger op zijn beurt bedrogen wordt. Interessant is ook wat er gebeurt na het vroege overlijden van Maria. Agneta laat er geen gras over groeien en deelt haar man plompverloren mee dat zij de drie kinderen, van 17, 15 en 7 jaar, in huis wil nemen. Hij voelt er weinig voor, omdat hij dan verantwoording zal moeten afleggen tegenover familie en vrienden. Maar Agneta is onvermurwbaar en zo wordt zij op haar 41ste toch nog moeder. Wie ze er dankbaar voor moet zijn, weet ze niet goed. ‘De vrouw die deze kinderen op de wereld heeft gezet, of Jacques, die de vrijheid heeft genomen om buitenechtelijk rond te scharrelen? Of toch de voorzienigheid?’

De passages waarin Agneta dit moederschap opeist, in bewoordingen die een subtiel midden houden tussen wraakzucht, plichtsbesef, medelijden en eigenbelang, vormen de onbetwiste hoogtepunten van deze toch al erg levendige en geanimeerde roman.

Met de drie kinderen zou het, ondanks een flinke stijging op de maatschappelijke ladder, nooit helemaal goed komen. In het nawoord lezen we over echtscheidingen, zelfmoord en ander ongeluk. Aan Agneta heeft het niet gelegen, als we Van der Mast mogen geloven. Zij deed er alles aan om haar pleegkinderen een prettig nieuw bestaan te geven. De conclusie moet wel zijn dat mensen toch wat minder kneedbaar zijn dan gehoopt of gedacht. Of, zoals Jacques van Marken het mismoedig uitdrukt aan het eind van zijn leven: ‘Gist kan je verbeteren, maar de mens niet!’