Dagkalender van de Wereldliteratuur: keizer tegen w-w-wil en dank

Honderdtwintig jaar geleden werd in Wimbledon de dichter Robert Graves geboren. Hij vocht in de Eerste Wereldoorlog en schreef daar een indringend boek over. Maar echt beroemd werd hij met een historische roman over de Romeinse keizertijd.
Honderdveertig boeken schreef Robert Graves (1895-1985), de classicus en criticus die zichzelf in de eerste plaats dichter voelde. Twee daarvan werden wereldberoemd: zijn autobiografie Goodbye to All That (1929), waarin hij onder meer zijn ervaringen in de loopgraven van het westelijk front verwerkte, en het eind jaren zeventig door de BBC verfilmde I, Claudius (1934, zie de Dagkalender van 5 maart. In dit eerste deel van de zogenaamde memoires van de stotterende Romeinse keizer-tegen-wil-en-dank Claudius (10v.Chr.-54 n.Chr.) roept Graves een onvergetelijk beeld op van de slangenkuil die de familie van keizer Augustus en zijn heerszuchtige vrouw Livia was.

Het spannende verhaal, dat de antieke roddelpraat van historici als Suetonius overtrof, was de eerste van een reeks pseudobiografieën die op een modern-psychologische manier de geschiedenis herschreven: Count Belisarius (1938), over een veldheer tussen heidendom en christendom; Claudius the God(1934), over de regeringsjaren van Claudius; King Jesus (1946), waarin Jezus als dichterlijke wijsgeer werd opgevoerd, en Homer’s Daughter (1955), dat zich in de Griekse prehistorie afspeelt. Tussen zijn historische romans en dichtbundels in zag Graves kans om niet alleen een standaardwerk over dichterlijke inspiratie te schrijven (The White Goddess, 1948) maar ook een veelgelezen hervertelling van de Griekse mythen.

Voor meer afleveringen van deze Dagkalender van de Wereldliteratuur, zie The Global Reader.

Pieter Steinz zit op Twitter.