Couperus in Nice was Carmiggelt avant la lettre

Een boek een half mensenleven in de kast laten staan is één ding, maar volgens mij heb ik het mooie, gebonden Couperusboekje Legenden van de Blauwe Kust zelfs nog nooit opengeslagen, behalve om het jaar 87 op de eerste pagina te schrijven. Ik had het vage idee dat het wel een antieke novelle zou betreffen, maar nu blijken we gewoon in Nice te zitten: ‘Men denkt hier niet aan de Oudheid; onder deze blauwe lucht, aan deze blauwe zee, denkt men aan het heden.’ De Blauwe Kust is, nu ja, dat is dus gewoon de Middellandse Zee. Al was die 100 jaar geleden natuurlijk lang niet zo gewoon als nu (en ook wat schoner). Couperus (destijds halverwege de veertig) dacht vooral aan het heden omdat zijn aanvankelijke plan – met zijn vrouw een pension bestieren – te weinig inkomsten opleverde. Dus ging hij verhalen schrijven voor Het Vaderland over het leven in Nice.

Hij neemt zijn lezers mee over de Promenade des Anglais, maar voor zover die lezers geïdealiseerde gedachten hebben over het mondaine leven, helpt Couperus ze uit de droom. Hij vergelijkt de flaneerders met vliegen. ‘Even zo als die koûlijke mensen, warmt een vlieg zich in een straal van de zon. Hier zijn verenigd, op dit uur, al wat Rusland vooral, maar ook Engeland, Amerika, en helaas, Duitsland voor koûkleumen uitzendt naar de Blauwe Kust.’ (Inderdaad, ver voor de oorlog werden er al grappen over Duitsers gemaakt).

In het begin is nog iets als een mission statement te lezen, wanneer hij zijn lezers voorhoudt dat ze ‘niet op de hei bij Putten’ zijn: ‘Ik, ten minste, geef niets om mijn waarheid uitstralende en zo heel natuurlijke medemens te ontmoeten; ik waardeer meer de factice flonkering der geblankette leugen en word meer aangetrokken door het ònnatuurlijke: ik bemin het bochtige van de menselijke ziel, zo als ik een baroque parel aardiger vind dan een effen ronde van het zuiverste water.’ Waarna de schrijver ook nog het ‘friswangige boerinnetje van de Veluwe’ zegt te versmaden. (Hier openbaart zich een kloof tussen mij en de meester, maar dat terzijde.)

‘Legenden’ is een ironisch overstatement voor deze verhalen, die voornamelijk bestaan uit anekdotes en kleine belevenissen – eigenlijk loopt Couperus door Nice als een Carmiggelt avant la lettre, zij het dat de smoezelige kroeg is verruild voor het theater. Geweldig is het verhaal over een bezoek aan een uitvoering van Tristan en Isolde, waar Couperus zichzelf presenteert als degene die zijn vrouw en zijn vriend naar het theater sleept omdat hij zo van de schoonheid geniet. Zelf wordt hij vooral afgeleid wordt door het gebrek aan verwarming: ‘Ik heb het koud, maar ik voel mij prettig. Ik heb het koud, maar ik voel mij prettig. Ik ril van de koû, maar ik hoû van die wereldse atmosfeer. Ik groet telkens…’ Couperus moet een vreselijk leuke man geweest zijn.