Wachten

Ik vond wachten al nooit leuk, maar je hebt wachten en wachten. Als je per se in de nieuwe achtbaan van De Efteling wilt, dan kies je ervoor. De rijen op Schiphol: alle begrip. Zover was ik. De apotheek, ik schreef er al eerder over, vond ik moeilijker, maar daar wordt aan gewerkt. In die van mij hingen de laatste keer tenminste briefjes waarop staat dat ze er bezig zijn met ‘een nieuw systeem’ waardoor het ‘binnenkort nog sneller’ gaat. Je kon daar veel van vinden, bijvoorbeeld waarom het dan eerst nog langzamer moest gaan, maar positief was dat ze het probleem onderkenden. Bovendien is de apotheek dan zo’n plek waar je hardop mag zuchten.

Dat doe je in het ziekenhuis niet zo snel, maar ik kreeg er onderhand wel zin in, want als ze ergens hun machtspositie uitbuiten, is het in de medische wereld. Bij de afdeling verloskunde bijvoorbeeld maakte het niet uit of je er ’s morgens als eerste of ’s middags een afspraak had. Er kwam daar zo vaak ‘wat tussen’ dat je je op den duur ging afvragen of ze daar in de planning geen rekening mee konden houden. Het allerergste vond ik de mens achter de balie die zichzelf de hele tijd hardop herhaalde. Dat je inderdaad al lang aan de beurt moest zijn geweest, dat dat ieder moment kon gebeuren, waarna het weer twintig minuten later eindigde met de mededeling dat we niet de enige wachtenden waren. Wat waar was.

Ik kreeg een goedbedoelde tip: “Als u een afspraak hebt, kunt u het beste de ochtend of de middag in je agenda blokken, dan komt u nooit in de problemen.”

Ik dacht even dat het aan het menstype bij verloskunde lag, ze waren daar nu eenmaal oeverloos van aard. Laatst hadden we er daar eentje die zei dat ze wachten zelf nooit zo erg vond omdat ze dan altijd ‘lekker’ een boek kon lezen.

Gisteren ontdekte ik dat het iets van alle afdelingen in alle ziekenhuizen is. Ik was naar Arnhem gekomen om met mijn moeder naar het ziekenhuis te gaan want ze had daar drie afspraken bij cardiologie en een gehoorprobleem. In totaal waren we daar zes uur, wat mijn moeder snel vond. Haar referentiekader was de oorlog waarin ze tijdens ‘de evacuatie’ van een kar viel en een been brak.

„Komt u over drie dagen maar terug”, zeiden ze toen in het dichtstbijzijnde ziekenhuis.

Als je het zo bekeek, was er sindsdien al veel verbeterd.