Van Goghs Parijse uitzicht

125 jaar geleden stierf Vincent van Gogh, op 29 juli, in de armen van zijn broer Theo, in Frankrijk. Dat wordt herdacht aan beider graf in Auvers, onder meer met de presentatie van De Grote Van Gogh Atlas, vol kaarten en foto’s over Vincents leven en reizen. Voorpublicatie.

FOTO ‘GOGHFLOW’, w. PEELS & S. MAAS

In de vroege ochtend van 28 februari 1886 kwam Vincent in Parijs aan. Eenmaal op het station scheurde hij een vel uit zijn schetsboek en schreef een briefje dat hij bij zijn broer liet bezorgen. Daarin stelde hij voor om elkaar om twaalf uur in museum het Louvre te ontmoeten.

En zo is het hoogstwaarschijnlijk gebeurd. Of Theo kwaad was dat zijn broer vier maanden eerder dan afgesproken op de stoep stond, is niet bekend. Omdat ze samenwoonden schreven ze elkaar in de twee jaar die Vincent in Parijs doorbracht vrijwel geen brieven.

Samenwonen met Theo

Vincent en Theo gingen samenwonen in de kleine etagewoning van Theo aan de rue Laval. Na een paar maanden verhuisden ze naar een ruimer appartement in Montmartre, een buitenwijk die geleidelijk door Parijs was opgeslokt. Montmartre was gelegen op een heuvel die aan de noordzijde nog iets van zijn landelijkheid had behouden, met moestuintjes en molens. In het naar de stad gelegen zuidelijke deel waren veel verfhandelaren te vinden en ateliers van beroemde en minder beroemde kunstenaars. En niet te vergeten, het barstte er van de uitgaansgelegenheden, het natuurlijke milieu van de bohémien.

Het appartement van Vincent en Theo lag op de vierde verdieping van een gebouw halverwege de heuvel. De woning had een grote woonkamer met daarnaast een slaapkamer voor Theo. Er was een keuken waar een huishoudster iedere dag voor de broers kwam koken. Vincent sliep in een kleine ruimte op de gang en had daarnaast een klein atelier. Het meest spectaculaire aan het huis was het uitzicht over de stad, dat hij dan ook verschillende keren schilderde. Volgens Theo kon je er net zoveel lucht zien dat het was alsof je op een duin stond.

Maar samenwonen met die opvliegende oudere broer was niet altijd makkelijk. Niemand wou meer op bezoek komen, klaagde Theo in een brief aan zijn zus Willemien toen de broers al een jaar samenwoonden. Vincent maakte ruzie met iedereen en hij deed ook nog eens niks in huis. Het leek wel alsof hij uit twee mensen bestond. De ene keer was hij zijn lieve en getalenteerde broer, schreef Theo, de andere keer was hij een egoïstische en hardvochtige vreemde.

Chez Cormon

Zoals Vincent van plan was geweest, ging hij in het atelier van de schilder Fernand Cormon werken. Het was een zogenoemd vrij atelier, waar een vaste groep kunstenaars aan het werk was. Een keer per week kwam de grote meester langs om de vorderingen te bespreken. Cormon was lang niet zo streng als de docenten op de Antwerpse academie, en in zijn atelier poseerden wel regelmatig naaktmodellen. Vincent hield het er drie of vier maanden uit en ontmoette er kunstenaars die later vrienden zouden worden. Toen stopte hij. Het atelier ging voor de zomer dicht en het was toch niet zo nuttig als Vincent had gedacht. Dat zal wel aan mij liggen, schreef hij aan een vriend, maar: ‘sindsdien werk ik alleen en heb ik het idee dat ik meer mezelf ben’.

Montmartre

Het was niet de eerste keer dat Vincent zich in Montmartre vestigde. Rond zijn 20ste, toen hij in Parijs voor de kunsthandel Goupil & Cie werkte, woonde hij er ook. In die periode zat hij voornamelijk op zijn kamertje de Bijbel te lezen. Inmiddels was hij 32 en bezocht hij geen kerken, maar cafés, danszalen, theaters, restaurants en bordelen. Veel van zijn kunstenaarsvrienden zochten hun onderwerpen in de uitgaanswereld. Zo zou Henri de Toulouse-Lautrec het uitgaansleven van Montmartre wereldberoemd maken met zijn schilderijen, en met de affiches die hij voor cabarets, restaurants en dansgelegenheden ontwierp.

Vincent bleef een voorkeur houden voor de meer landelijke onderwerpen. Hij begon met het maken van stadsgezichten en landschappen rond de Moulin de la Galette, een landelijk wijkje op de heuvel met molens en uitgaansgelegenheden. Hij zou de hele periode in Parijs uitzichten vanaf La Butte blijven maken.

In Parijs lukte het Vincent eindelijk om werk tentoon te stellen, in Le Tambourin, een van de cafés waar hij vaak te vinden was. Hij kreeg een affaire met de eigenares, een voormalig schildersmodel met de prachtige naam Agostina Segatori. Volgens zijn vriend Paul Gauguin was Vincent ontzettend verliefd op haar.

Op het portret dat hij van haar schilderde, zit ze op een kruk aan een tafeltje in de vorm van een tamboerijn. Op de achtergrond zijn de Japanse prenten te zien die Vincent bij wijze van tentoonstelling had opgehangen. Maar hij regelde er ook een tentoonstelling van zijn eigen werk, een hele serie bloemenschilderijen, in de hoop ze te verkopen.

Helaas kregen Agostina en Vincent ruzie. Vincent wilde alle schilderijen terug, maar Le Tambourin ging failliet en het hele café werd verkocht, inclusief de daar aanwezige schilderijen van Vincent.

Een stuk verderop zat Grand Bouillon Restaurant du Chalet. Een groot restaurant met lange tafels en een glazen dak, waar Vincent geregeld at. Van de eigenaar mocht hij er werk ophangen van Bernard, Toulouse-Lautrec, Anquetin en een aantal andere schilders. Geen enkele krant schreef erover. Maar toch was Vincent tevreden, want zowel Bernard als Anquetin had werk verkocht. Zelf ruilde hij er een werk met Gauguin, een schilder die hij nog maar pas kende en die een goede vriend werd.

De tentoonstelling was van korte duur. Na klachten van de klanten en kritiek van de licht ontvlambare eigenaar laadde Vincent alle schilderijen op een handkar en reed ze de zaak uit. ‘Hij heeft altijd om zich heen menschen die zich tot hem voelen getrokken,’ zei Theo over Vincent, ‘maar ook heel veel vijanden. Het is hem niet mogelijk om op eene onverschillige manier met iemand om te gaan. Het is of het een of het ander. Zelfs voor hen, waar hij de beste vrienden mee is, is zijn omgang niet makkelijk, daar hij niets of niemand spaart.’

Weer weg uit Parijs

Zelfs uit Parijs wilde Vincent uiteindelijk weg. Hij kreeg een hekel aan die drukke stad met het ingewikkelde kunstenaarswereldje en het ongezonde uitgaansleven met die ‘vervloekte smerige wijn’ en de ‘vieze vette biefstukken’. Hij wilde naar het licht en de felle kleuren van het zuiden. Eigenlijk verlangde hij naar een eigen Japan zoals op de kleurrijke prenten, waar hij in alle rust kon werken. Het liefst in een soort kunstenaarskolonie, met al zijn vrienden om zich heen.

Twee jaar na zijn komst naar Parijs stapte hij in de trein naar Zuid-Frankrijk. De ruim 200 schilderijen die hij in twee jaar tijd in Parijs had gemaakt liet hij bij Theo achter.